BWBR0003771
Geldig vanaf 01-01-1994
Artikel I-J6
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. Bij een verhuizing van een gezin, waarvan beide echtgenoten terzake van de verhuizing aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van dit hoofdstuk, ontvangt, met overeenkomstige toepassing van artikel I-J5, tweede tot en met zesde lid:
ieder van beiden de helft van de in artikel I-J5, eerste lid, onder a en b bedoelde vergoedingen.
De volgens artikel I-J5, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.
2. Indien het betreft een verhuizing van een gezin waarvan een van de echtgenoten aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van dit hoofdstuk en de andere echtgenoot uit anderen hoofde terzake van deze verhuizing aanspraak maakt op een tegemoetkoming, wordt de tegemoetkoming in verhuiskosten aan de belanghebbende slechts verleend voorzover deze de tegemoetkoming welke uit anderen hoofde wordt ontvangen te boven gaat.
3. De berekening van de tegemoetkoming voor de in het tweede lid bedoelde belanghebbende geschiedt door, met overeenkomstige toepassing van artikel I-J5, tweede tot en met zesde lid, het totaal van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel I-J5, eerste lid, te verminderen met de tegemoetkoming die de echtgenoot uit andere hoofde ontvangt. De volgens artikel I-J5, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.
ieder van beiden de helft van de in artikel I-J5, eerste lid, onder a en b bedoelde vergoedingen.
De volgens artikel I-J5, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.
2. Indien het betreft een verhuizing van een gezin waarvan een van de echtgenoten aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van dit hoofdstuk en de andere echtgenoot uit anderen hoofde terzake van deze verhuizing aanspraak maakt op een tegemoetkoming, wordt de tegemoetkoming in verhuiskosten aan de belanghebbende slechts verleend voorzover deze de tegemoetkoming welke uit anderen hoofde wordt ontvangen te boven gaat.
3. De berekening van de tegemoetkoming voor de in het tweede lid bedoelde belanghebbende geschiedt door, met overeenkomstige toepassing van artikel I-J5, tweede tot en met zesde lid, het totaal van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel I-J5, eerste lid, te verminderen met de tegemoetkoming die de echtgenoot uit andere hoofde ontvangt. De volgens artikel I-J5, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.
- Citeren als
- Art. I-J6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl