BWBR0003771
Geldig vanaf 01-01-1994
Artikel V-C2
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. Het bevoegd gezag verleent de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e, met uitzondering van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e11:
a. aan wie in de maand augustus 1992 voor een periode van 6 maanden ouderschapsverlof volgens de Wet op het ouderschapsverlof is verleend en die na afloop van dit verlof, indien de regeling als bedoeld in artikel I-C39 reeds van kracht zou zijn geweest, gebruik zou hebben gemaakt van laatstbedoelde regeling, op diens verzoek en met inachtneming van de bepalingen in de volgende leden in de maand februari 1993 doch uiterlijk met ingang van 1 maart 1993 ouderschapsverlof in de zin van artikel I-C39;
b. die op 28 februari 1993 ouderschapsverlof geniet volgens de Wet op het ouderschapsverlof en die op 1 maart 1993 gebruik wenst te maken van de regeling ouderschapsverlof als bedoeld in artikel I-C39 op diens verzoek en met inachtneming van het derde lid, ouderschapsverlof volgens deze regeling.
2. Voor de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onder a, blijft, vanaf het tijdstip, dat hij gebruik maakt van de regeling als bedoeld in artikel I-C39, indien het dienstbelang dit vereist, tot uiterlijk 1 maart 1993 het aantal uren, dat hij op 31 januari 1993 ingevolge de Wet op het ouderschapsverlof werkzaam was, ongewijzigd.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel I-C39 wordt de op grond van de Wet op het ouderschapsverlof overeengekomen tijd met ten hoogste 6 maanden verlengd.
a. aan wie in de maand augustus 1992 voor een periode van 6 maanden ouderschapsverlof volgens de Wet op het ouderschapsverlof is verleend en die na afloop van dit verlof, indien de regeling als bedoeld in artikel I-C39 reeds van kracht zou zijn geweest, gebruik zou hebben gemaakt van laatstbedoelde regeling, op diens verzoek en met inachtneming van de bepalingen in de volgende leden in de maand februari 1993 doch uiterlijk met ingang van 1 maart 1993 ouderschapsverlof in de zin van artikel I-C39;
b. die op 28 februari 1993 ouderschapsverlof geniet volgens de Wet op het ouderschapsverlof en die op 1 maart 1993 gebruik wenst te maken van de regeling ouderschapsverlof als bedoeld in artikel I-C39 op diens verzoek en met inachtneming van het derde lid, ouderschapsverlof volgens deze regeling.
2. Voor de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onder a, blijft, vanaf het tijdstip, dat hij gebruik maakt van de regeling als bedoeld in artikel I-C39, indien het dienstbelang dit vereist, tot uiterlijk 1 maart 1993 het aantal uren, dat hij op 31 januari 1993 ingevolge de Wet op het ouderschapsverlof werkzaam was, ongewijzigd.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel I-C39 wordt de op grond van de Wet op het ouderschapsverlof overeengekomen tijd met ten hoogste 6 maanden verlengd.
- Citeren als
- Art. V-C2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl