BWBR0004575
Geldig vanaf 1989-09-01
Artikel 16
Wet op de waterhuishouding
1. Een kwantiteitsbeheerder is in daartoe aan te wijzen gevallen verplicht voor oppervlatewateren onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast te stellen. De kwantiteitsbeheerder draagt er zorg voor dat de in het peilbesluit aangegeven waterstanden gedurende daarbij aangegeven perioden zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Bij het vaststellen van het peilbesluit wordt rekening gehouden met de in de artikelen 5en 9bedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn op de oppervlaktewateren waarop het peilbesluit betrekking heeft.
2. Ten aanzien van oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen gesteld met betrekking tot het peilbesluit.
3. Ten aanzien van de overige oppervlaktewateren stellen provinciale staten bij verordening nadere regelen met betrekking tot het peilbesluit.
4. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing van gevallen welke geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk vindt plaats bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en van de overige gevallen bij door provinciale staten vast te stellen verordening. Provinciale staten zenden het besluit waarbij de verordening is vastgesteld aan Onze Minister.
5. Een voordracht tot de in het vierde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt Ons gedaan door Onze Minister.
6. Onze Minister kan aan provinciale staten omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in het vierde lid aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vorderen. Artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Ten aanzien van oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen gesteld met betrekking tot het peilbesluit.
3. Ten aanzien van de overige oppervlaktewateren stellen provinciale staten bij verordening nadere regelen met betrekking tot het peilbesluit.
4. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing van gevallen welke geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk vindt plaats bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en van de overige gevallen bij door provinciale staten vast te stellen verordening. Provinciale staten zenden het besluit waarbij de verordening is vastgesteld aan Onze Minister.
5. Een voordracht tot de in het vierde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt Ons gedaan door Onze Minister.
6. Onze Minister kan aan provinciale staten omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in het vierde lid aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vorderen. Artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.