BWBR0004993
Geldig vanaf 1991-04-01
Artikel 21a
Wet assurantiebemiddelingsbedrijf
1. Op een daartoe strekkend verzoek kan de Raad, in het belang van het bedrijf van een gevolmachtigde agent en na raadpleging van de volmachtgevende verzekeraar, ontheffing verlenen van de in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, bedoelde eisen, aan hetzij:
a. een der personen die met een overleden gevolmachtigde agent tot het tijdstip van diens overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad;
b. een der niet tot de huishouding behorende kinderen van een overleden gevolmachtigde agent;
c. de vereffenaar van een in liquidatie getreden gevolmachtigde agent;
d. de curator van een onder curatele gestelde gevolmachtigde agent.
2. De in het eerste lid bedoelde ontheffing wordt met terugwerkende kracht verleend tot de datum van overlijden, aanvang van de vereffening of de ondercuratelestelling. De ontheffing geldt voor ten hoogste een jaar en kan ten hoogste tweemaal met een jaar worden verlengd.
3. Bij de inschrijving in het in artikel 20bedoelde register van degene aan wie een ontheffing als bedoeld in het eerste lid is verleend, wordt aangetekend:
a. de grond van de ontheffing;
b. de termijn gedurende welke de ontheffing geldt;
c. de naam van de in het eerste lid bedoelde gevolmachtigde agent.
a. een der personen die met een overleden gevolmachtigde agent tot het tijdstip van diens overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad;
b. een der niet tot de huishouding behorende kinderen van een overleden gevolmachtigde agent;
c. de vereffenaar van een in liquidatie getreden gevolmachtigde agent;
d. de curator van een onder curatele gestelde gevolmachtigde agent.
2. De in het eerste lid bedoelde ontheffing wordt met terugwerkende kracht verleend tot de datum van overlijden, aanvang van de vereffening of de ondercuratelestelling. De ontheffing geldt voor ten hoogste een jaar en kan ten hoogste tweemaal met een jaar worden verlengd.
3. Bij de inschrijving in het in artikel 20bedoelde register van degene aan wie een ontheffing als bedoeld in het eerste lid is verleend, wordt aangetekend:
a. de grond van de ontheffing;
b. de termijn gedurende welke de ontheffing geldt;
c. de naam van de in het eerste lid bedoelde gevolmachtigde agent.