BWBR0005283
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 25
Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering
1. Zorg te verlenen door een gezinsvervangend tehuis voor verstandelijk gehandicapten omvat begeleiding of verzorging gericht op de bevordering van de integratie van de verstandelijk gehandicapte in de samenleving, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal.
2. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat aanspraak indien de verzekerde:
a. gedurende ten minste vier dagdelen per week buiten het gezinsvervangend tehuis betaalde arbeid verricht, een dagopleiding volgt of een dagverblijf voor gehandicapten bezoekt,
b. door oorzaken buiten zijn persoon gelegen, geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt, doch in staat kan worden geacht tot een zodanige dagbesteding te geraken, of
c. de leeftijd van 40 jaren heeft bereikt, bij het bereiken daarvan in een gezinsvervangend tehuis verbleef, door het deelnemen aan een regeling tot vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dan wel andere oorzaken in zijn persoon gelegen, buiten het gezinsvervangend tehuis geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt en voorafgaande aan het verder verblijf gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren zodanige dagbesteding heeft gehad.
3. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat geen aanspraak indien de verzekerde in belangrijke mate aangewezen is op verpleging.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
2. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat aanspraak indien de verzekerde:
a. gedurende ten minste vier dagdelen per week buiten het gezinsvervangend tehuis betaalde arbeid verricht, een dagopleiding volgt of een dagverblijf voor gehandicapten bezoekt,
b. door oorzaken buiten zijn persoon gelegen, geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt, doch in staat kan worden geacht tot een zodanige dagbesteding te geraken, of
c. de leeftijd van 40 jaren heeft bereikt, bij het bereiken daarvan in een gezinsvervangend tehuis verbleef, door het deelnemen aan een regeling tot vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dan wel andere oorzaken in zijn persoon gelegen, buiten het gezinsvervangend tehuis geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt en voorafgaande aan het verder verblijf gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren zodanige dagbesteding heeft gehad.
3. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat geen aanspraak indien de verzekerde in belangrijke mate aangewezen is op verpleging.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.