BWBR0005775
Geldig vanaf 1993-01-01
Artikel 27
Luchtverkeersreglement
1. Op of in de nabijheid van een luchthaven wordt:
a. bijzonder acht gegeven op het verkeer, teneinde een botsing te vermijden;
b. het door luchtvaartuigen gevormd luchtverkeerscircuit gevolgd dan wel vermeden;
c. op zodanige wijze in het onder b bedoelde luchtverkeerscircuit ingevoegd, dat luchtvaartuigen die dit luchtverkeerscircuit volgen niet gehinderd;
d. tijdens het aanvliegen voor een landing en na het opstijgen elke bocht naar links gemaakt, tenzij een anders luidende aanwijzing is gegeven;
e. tegen de wind in geland en opgestegen, tenzij een andere richting de voorkeur verdient met het oog op de veiligheid, de baanligging of om luchtverkeerstechnische redenen.
2. Het eerste lid onder b, d en e geldt niet, indien in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer bij regeling van Onze Minister nadere regels zijn gegeven voor het verkeer op of in de nabijheid van één of meerdere luchthavens.
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid, onder b, aan gezagvoerders die deelnemen aan bijzondere luchtverkeersactiviteiten in de nabijheid van een ongecontroleerde luchthaven. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Het is verboden in strijd met voorschriften als bedoeld in het derde lid te handelen.
a. bijzonder acht gegeven op het verkeer, teneinde een botsing te vermijden;
b. het door luchtvaartuigen gevormd luchtverkeerscircuit gevolgd dan wel vermeden;
c. op zodanige wijze in het onder b bedoelde luchtverkeerscircuit ingevoegd, dat luchtvaartuigen die dit luchtverkeerscircuit volgen niet gehinderd;
d. tijdens het aanvliegen voor een landing en na het opstijgen elke bocht naar links gemaakt, tenzij een anders luidende aanwijzing is gegeven;
e. tegen de wind in geland en opgestegen, tenzij een andere richting de voorkeur verdient met het oog op de veiligheid, de baanligging of om luchtverkeerstechnische redenen.
2. Het eerste lid onder b, d en e geldt niet, indien in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer bij regeling van Onze Minister nadere regels zijn gegeven voor het verkeer op of in de nabijheid van één of meerdere luchthavens.
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid, onder b, aan gezagvoerders die deelnemen aan bijzondere luchtverkeersactiviteiten in de nabijheid van een ongecontroleerde luchthaven. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Het is verboden in strijd met voorschriften als bedoeld in het derde lid te handelen.