BWBR0006039
Geldig vanaf 1993-07-14
Artikel 16
Verplaatsingskostenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie
1. Onze Minister kan, ter uitvoering van een vervoerplan als bedoeld in artikel 13, eerste lid, regels stellen krachtens welke voor de ambtenaar een tegemoetkoming in reiskosten wordt verstrekt die afwijkt van een krachtens artikel 14vastgestelde tegemoetkoming indien de ambtenaar voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling:
a. gebruik maakt van een eigen motorvoertuig te zamen met één of meer anderen;
b. meerijdt in een motorvoertuig van een ander.
2. De tegemoetkoming in reiskosten wordt in de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde situatie slechts uitbetaald aan een ander dan de betrokken ambtenaar.
3. Geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid kan worden vastgesteld voor ambtenaren die op 10 kilometer of minder van de plaats van tewerkstelling woonachtig zijn.
4. De ambtenaar die voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling meerijdt met een ander ten behoeve waarvan een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, ontvangt geen tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in artikel 14.
5. De maximale afstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling waarover een tegemoetkoming per afgelegde kilometer als bedoeld in het eerste lid kan worden berekend bedraagt:
a. 25 kilometer voor de ambtenaar die geen opdracht van het bevoegde gezag heeft gekregen om te verhuizen;
b. 60 kilometer voor de ambtenaar die opdracht heeft gekregen om naar of naar de nabijheid van de standplaats te verhuizen.
6. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per afgelegde kilometer ten hoogste het bedrag vastgesteld krachtens artikel 15, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de Loonbelasting 1964.
a. gebruik maakt van een eigen motorvoertuig te zamen met één of meer anderen;
b. meerijdt in een motorvoertuig van een ander.
2. De tegemoetkoming in reiskosten wordt in de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde situatie slechts uitbetaald aan een ander dan de betrokken ambtenaar.
3. Geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid kan worden vastgesteld voor ambtenaren die op 10 kilometer of minder van de plaats van tewerkstelling woonachtig zijn.
4. De ambtenaar die voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling meerijdt met een ander ten behoeve waarvan een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, ontvangt geen tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in artikel 14.
5. De maximale afstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling waarover een tegemoetkoming per afgelegde kilometer als bedoeld in het eerste lid kan worden berekend bedraagt:
a. 25 kilometer voor de ambtenaar die geen opdracht van het bevoegde gezag heeft gekregen om te verhuizen;
b. 60 kilometer voor de ambtenaar die opdracht heeft gekregen om naar of naar de nabijheid van de standplaats te verhuizen.
6. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per afgelegde kilometer ten hoogste het bedrag vastgesteld krachtens artikel 15, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de Loonbelasting 1964.