BWBR0006317
Geldig vanaf 1994-01-19
Artikel 7
Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's
1. Indien de toelating tot een beroep mede afhankelijk is gesteld van:
a. een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
b. een document waaruit blijkt dat betrokkene niet in staat van faillissement heeft verkeerd, noch ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is geweest, dan wel
c. een document betreffende de lichamelijke of geestelijke gezondheid,
geldt als zodanig een met die verklaring of dat document overeenkomend document, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst.
2. Indien in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst een met de in het eerste lid bedoelde:
a. verklaring omtrent het gedrag,
b. document waaruit blijkt dat betrokkene in het kader van de uitoefening van zijn beroep niet tuchtrechtelijk is veroordeeld, dan wel
c. een document waaruit blijkt dat betrokkene niet in staat van faillissement heeft verkeerd, noch ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is geweest,
niet wordt afgegeven, kan betrokkene volstaan met het afleggen van een verklaring onder ede dan wel een plechtige verklaring ten overstaan van een daartoe bij of krachtens wet in die Lid-Staat bevoegde instantie dan wel ten overstaan van een notaris of een in die Lid-Staat bevoegde beroepsorganisatie, welke een attest afgeeft dat deze eed of plechtige verklaring bewijskracht heeft.
3. Indien in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst een met de in het eerste lid bedoelde verklaring betreffende de lichamelijke of geestelijke gezondheid overeenkomend document niet wordt verlangd, kan betrokkene volstaan met een in die Lid-Staat door een bevoegde instantie afgegeven verklaring, die overeenstemt met de in Nederland gebruikelijke verklaring.
4. Indien een bewijs van financiële draagkracht is vereist voor de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep, zijn attesten die zijn afgegeven door een financiële instelling in de lidstaat van oorsprong of herkomst gelijkwaardig aan die welke in Nederland worden afgegeven.
5. Indien Onze Minister die het aangaat, van een eigen onderdaan die toelating verlangt tot een gereglementeerd beroep, eist dat deze verzekerd is tegen de financiële risico's van zijn beroepsaansprakelijkheid, aanvaardt hij een attest van een verzekeraar in een andere lidstaat als gelijkwaardig aan een attest dat in Nederland wordt afgegeven. Het attest vermeldt dat de verzekeraar de in Nederland van kracht zijnde bepalingen heeft nageleefd voor wat betreft de voorwaarden en de reikwijdte van de dekking.
6. De in het eerste, tweede, derde en vijfde lid bedoelde verklaringen, documenten of attesten mogen bij indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, niet ouder zijn dan drie maanden.
a. een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
b. een document waaruit blijkt dat betrokkene niet in staat van faillissement heeft verkeerd, noch ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is geweest, dan wel
c. een document betreffende de lichamelijke of geestelijke gezondheid,
geldt als zodanig een met die verklaring of dat document overeenkomend document, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst.
2. Indien in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst een met de in het eerste lid bedoelde:
a. verklaring omtrent het gedrag,
b. document waaruit blijkt dat betrokkene in het kader van de uitoefening van zijn beroep niet tuchtrechtelijk is veroordeeld, dan wel
c. een document waaruit blijkt dat betrokkene niet in staat van faillissement heeft verkeerd, noch ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is geweest,
niet wordt afgegeven, kan betrokkene volstaan met het afleggen van een verklaring onder ede dan wel een plechtige verklaring ten overstaan van een daartoe bij of krachtens wet in die Lid-Staat bevoegde instantie dan wel ten overstaan van een notaris of een in die Lid-Staat bevoegde beroepsorganisatie, welke een attest afgeeft dat deze eed of plechtige verklaring bewijskracht heeft.
3. Indien in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst een met de in het eerste lid bedoelde verklaring betreffende de lichamelijke of geestelijke gezondheid overeenkomend document niet wordt verlangd, kan betrokkene volstaan met een in die Lid-Staat door een bevoegde instantie afgegeven verklaring, die overeenstemt met de in Nederland gebruikelijke verklaring.
4. Indien een bewijs van financiële draagkracht is vereist voor de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep, zijn attesten die zijn afgegeven door een financiële instelling in de lidstaat van oorsprong of herkomst gelijkwaardig aan die welke in Nederland worden afgegeven.
5. Indien Onze Minister die het aangaat, van een eigen onderdaan die toelating verlangt tot een gereglementeerd beroep, eist dat deze verzekerd is tegen de financiële risico's van zijn beroepsaansprakelijkheid, aanvaardt hij een attest van een verzekeraar in een andere lidstaat als gelijkwaardig aan een attest dat in Nederland wordt afgegeven. Het attest vermeldt dat de verzekeraar de in Nederland van kracht zijnde bepalingen heeft nageleefd voor wat betreft de voorwaarden en de reikwijdte van de dekking.
6. De in het eerste, tweede, derde en vijfde lid bedoelde verklaringen, documenten of attesten mogen bij indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, niet ouder zijn dan drie maanden.