BWBR0006758
Geldig vanaf 17-09-1994
Artikel 2
Verordening op de fraudemelding
1. De openbaar accountant die bij de uitvoering van zijn controle-opdracht aanwijzingen van fraude heeft verkregen, richt zijn verder onderzoek zodanig in dat hij een hoge mate van zekerheid verkrijgt over het al dan niet aanwezig zijn van fraude, ongeacht de mogelijke omvang en aard van de fraude. De openbaar accountant stelt de leiding van de huishouding schriftelijk op de hoogte van zijn aanwijzingen, voor zover hij dit niet strijdig acht met het doel van zijn onderzoek. Indien de openbaar accountant aanwijzingen heeft van directiefraude, stelt hij het toezichthoudend orgaan schriftelijk op de hoogte.
2. De openbaar accountant die in redelijkheid een vermoeden van fraude heeft stelt de leiding van de huishouding hiervan schriftelijk op de hoogte. Het toezichthoudend orgaan wordt door hem schriftelijk ingelicht indien:
– het directiefraude betreft, of
– de leiding van de huishouding geen toereikende maatregelen treft om de gevolgen van fraude voor zover mogelijk ongedaan te maken en om herhaling daarvan te voorkomen, of
– de fraude van materieel belang voer de financiële verantwoording is.
3. De openbaar accountant geeft zijn opdracht terug indien de leiding, respectievelijk het toezichthoudend orgaan van de huishouding, waarbij hij optreedt, niet binnen redelijke termijn nadat hij de leiding of het toezichthoudend orgaan daarop heeft gewezen, toereikende maatregelen neemt om de gevolgen van fraude van materieel belang voor zover mogelijk ongedaan te maken en om herhaling daarvan te voorkomen.
2. De openbaar accountant die in redelijkheid een vermoeden van fraude heeft stelt de leiding van de huishouding hiervan schriftelijk op de hoogte. Het toezichthoudend orgaan wordt door hem schriftelijk ingelicht indien:
– het directiefraude betreft, of
– de leiding van de huishouding geen toereikende maatregelen treft om de gevolgen van fraude voor zover mogelijk ongedaan te maken en om herhaling daarvan te voorkomen, of
– de fraude van materieel belang voer de financiële verantwoording is.
3. De openbaar accountant geeft zijn opdracht terug indien de leiding, respectievelijk het toezichthoudend orgaan van de huishouding, waarbij hij optreedt, niet binnen redelijke termijn nadat hij de leiding of het toezichthoudend orgaan daarop heeft gewezen, toereikende maatregelen neemt om de gevolgen van fraude van materieel belang voor zover mogelijk ongedaan te maken en om herhaling daarvan te voorkomen.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0006758
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl