BWBR0006942
Geldig vanaf 1997-12-24
Artikel 9
LSOP-wet
1. Tot het personeel van het LSOP worden in ieder geval gerekend:
a. de leden van de directie;
b. de directeuren van de instellingen;
c. ambtenaren in dienst van het LSOP en
d. de bij het LSOP anders dan met het oog op het ontvangen van onderwijs gedetacheerde ambtenaren van politie.
2. De in het eerste lid, onder a, bedoelde leden van de directie worden op aanbeveling van de bestuursraad bij koninklijk besluit op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers benoemd, geschorst en ontslagen. Bij algemene maatregel van bestuur op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers wordt bepaald welke andere ambtenaren dan die bedoeld in het eerste lid, onder a, op overeenkomstige wijze worden benoemd, geschorst en ontslagen.
3. De in het eerste lid, onder b, bedoelde directeuren worden benoemd, geschorst en ontslagen door de bestuursraad, voor zover deze ambtenaren niet krachtens het tweede lid bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.
4. De in het eerste lid, onder c, bedoelde ambtenaren worden benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen door de directie, voor zover deze ambtenaren niet krachtens het tweede lid bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.
5. Ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder d, worden door de beheerder van het politiekorps op verzoek van de directie bij het LSOP gedetacheerd. Bijzondere ambtenaren van politie worden door Onze Minister van Justitie op verzoek van de directie bij het LSOP gedetacheerd.
6. Voor zover bij dit artikel niet anders is bepaald, zijn de bij of krachtens artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993gestelde regels van overeenkomstige toepassing op de bij het LSOP in dienst zijnde ambtenaren. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen aanvullende bepalingen worden gegeven, indien dit in verband met enige andere bepaling uit deze wet vereist is. Artikel 50, tweede lid, van de Politiewet 1993is van overeenkomstige toepassing op de bij het LSOP in dienst zijnde ambtenaren.
a. de leden van de directie;
b. de directeuren van de instellingen;
c. ambtenaren in dienst van het LSOP en
d. de bij het LSOP anders dan met het oog op het ontvangen van onderwijs gedetacheerde ambtenaren van politie.
2. De in het eerste lid, onder a, bedoelde leden van de directie worden op aanbeveling van de bestuursraad bij koninklijk besluit op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers benoemd, geschorst en ontslagen. Bij algemene maatregel van bestuur op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers wordt bepaald welke andere ambtenaren dan die bedoeld in het eerste lid, onder a, op overeenkomstige wijze worden benoemd, geschorst en ontslagen.
3. De in het eerste lid, onder b, bedoelde directeuren worden benoemd, geschorst en ontslagen door de bestuursraad, voor zover deze ambtenaren niet krachtens het tweede lid bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.
4. De in het eerste lid, onder c, bedoelde ambtenaren worden benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen door de directie, voor zover deze ambtenaren niet krachtens het tweede lid bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.
5. Ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder d, worden door de beheerder van het politiekorps op verzoek van de directie bij het LSOP gedetacheerd. Bijzondere ambtenaren van politie worden door Onze Minister van Justitie op verzoek van de directie bij het LSOP gedetacheerd.
6. Voor zover bij dit artikel niet anders is bepaald, zijn de bij of krachtens artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993gestelde regels van overeenkomstige toepassing op de bij het LSOP in dienst zijnde ambtenaren. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen aanvullende bepalingen worden gegeven, indien dit in verband met enige andere bepaling uit deze wet vereist is. Artikel 50, tweede lid, van de Politiewet 1993is van overeenkomstige toepassing op de bij het LSOP in dienst zijnde ambtenaren.