BWBR0007962
Geldig vanaf 1996-06-05
Artikel 5.1
Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996
1. Indien een winningsvergunning wordt verleend op grond van artikel 13, eerste lid, van de weten de desbetreffende opsporingsvergunning is verleend vóór 23 april 1976, geschiedt de verlening van de winningsvergunning met inachtneming van de volgende artikelen van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal platten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas ( Stb. 24), zoals deze luidden op het tijdstip, waarop de opsporingsvergunning is verleend:
a. artikel I;
b. de in artikel II vermelde artikelen 1 en 18;
c. de in artikel III vermelde artikelen 1 tot en met 22, 24, 26 en 30, met uitzondering van artikel 10, tweede lid, artikel 19, derde lid, artikel 21, tweede lid, en artikel 24, tweede lid.
2. In het in het eerste lid bedoelde geval is artikel XII van het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas ( Stb. 102), van toepassing.
3. In het in het eerste lid bedoelde geval zijn de artikelen 3.23en 3.24van toepassing.
4. In het in het eerste lid bedoelde geval is, indien het betreft een winningsvergunning als bedoeld in artikel IV of V van het in het eerste lid bedoelde besluit, hoofdstuk 4 van toepassing.
a. artikel I;
b. de in artikel II vermelde artikelen 1 en 18;
c. de in artikel III vermelde artikelen 1 tot en met 22, 24, 26 en 30, met uitzondering van artikel 10, tweede lid, artikel 19, derde lid, artikel 21, tweede lid, en artikel 24, tweede lid.
2. In het in het eerste lid bedoelde geval is artikel XII van het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas ( Stb. 102), van toepassing.
3. In het in het eerste lid bedoelde geval zijn de artikelen 3.23en 3.24van toepassing.
4. In het in het eerste lid bedoelde geval is, indien het betreft een winningsvergunning als bedoeld in artikel IV of V van het in het eerste lid bedoelde besluit, hoofdstuk 4 van toepassing.