BWBR0008223
Geldig vanaf 2003-07-03
Artikel 20
Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen
1. Degene die een attractietoestel voorhanden heeft, doet onverwijld na de eerste opbouw of plaatsing ervan bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit aangifte van het feit dat hij een attractietoestel voorhanden heeft, onder opgave van de volgende gegevens:
a. zijn naam, woon- of verblijfplaats en adres;
b. de soort, het type, het bouwjaar en de fabrikant van het attractietoestel;
c. plaats waar het attractietoestel zich bevindt of, in het geval van een niet permanent geïnstalleerd attractietoestel, de plaatsen waar het zich in de periode van drie maanden na de dag van aangifte zal bevinden.
2. Degene die een attractie- of speeltoestel tijdelijk in Nederland gebruikt, doet, tenminste twee maal vierentwintig uur voorafgaand aan elke eerste opbouw of plaatsing van het toestel op Nederlands grondgebied, bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit aangifte van zijn voornemen tot plaatsing of opbouw van het toestel op Nederlands grondgebied, onder opgave van de gegevens, vermeld in het eerste lid.
a. zijn naam, woon- of verblijfplaats en adres;
b. de soort, het type, het bouwjaar en de fabrikant van het attractietoestel;
c. plaats waar het attractietoestel zich bevindt of, in het geval van een niet permanent geïnstalleerd attractietoestel, de plaatsen waar het zich in de periode van drie maanden na de dag van aangifte zal bevinden.
2. Degene die een attractie- of speeltoestel tijdelijk in Nederland gebruikt, doet, tenminste twee maal vierentwintig uur voorafgaand aan elke eerste opbouw of plaatsing van het toestel op Nederlands grondgebied, bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit aangifte van zijn voornemen tot plaatsing of opbouw van het toestel op Nederlands grondgebied, onder opgave van de gegevens, vermeld in het eerste lid.