BWBR0008301
Geldig vanaf 2004-03-19
Artikel 23
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen
1. In afwijking van artikel 17mogen producenten overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van verordening 2461/1999en de artikelen 24tot en met 30, de overeenkomstig artikel 16uit productie genomen oppervlakte gebruiken voor het verbouwen van de in bijlage I bij genoemde verordening genoemde grondstoffen.
2. Geen subsidie als bedoeld in artikel 16, zevende lid, wordt verstrekt voor de overeenkomstig artikel 16uit productie genomen percelen waarop de verbouw van aardperen, cichoreiwortels en suikerbieten plaatsvindt.
3. De grondstoffen worden verbouwd specifiek met het oog op verwerking van de grondstoffen in de Europese Gemeenschap tot een of meer eindproducten welke zijn genoemd in bijlage III van verordening 2461/1999en welke niet zijn bestemd voor menselijke of dierlijke voeding.
4. Grondstoffen van GN-code 0701 90 10 mogen slechts worden verbouwd onder de navolgende voorwaarden:
a. de betrokken percelen zijn in de drie voorafgaande teeltseizoenen niet met aardappelen bebouwd geweest;
b. ten hoogste 25% van de totale oppervlakte akkerland van het bedrijf wordt gebruikt voor de teelt van aardappelen;
c. gedurende de vijf kalenderjaren, die volgen op de onderhavige aardappelteelt, blijft een grondontsmetting achterwege;
d. voor de onderhavige aardappelteelt worden slechts aardappelrassen gebruikt, waaraan blijkens de meest recente Beschrijvende Rassenlijst voor landbouwgewassen ten minste het cijfer 6 is toegekend voor de eigenschap ’resistentie tegen Phytophthora in het loof’;
e. voordat de onderhavige aardappelteelt aanvangt, wordt ieder daarvoor bestemd perceel door een door de minister aangewezen instelling onderzocht op aardappelmoeheid;
f. indien een perceel, dat voor de onderhavige aardappelteelt wordt gebruikt, blijkens het in onderdeel c bedoelde onderzoek niet vrij is van aardappelmoeheid, worden daarop slechts aardappelen geteeld van rassen, die door de in onderdeel c bedoelde instelling zijn aangewezen.
2. Geen subsidie als bedoeld in artikel 16, zevende lid, wordt verstrekt voor de overeenkomstig artikel 16uit productie genomen percelen waarop de verbouw van aardperen, cichoreiwortels en suikerbieten plaatsvindt.
3. De grondstoffen worden verbouwd specifiek met het oog op verwerking van de grondstoffen in de Europese Gemeenschap tot een of meer eindproducten welke zijn genoemd in bijlage III van verordening 2461/1999en welke niet zijn bestemd voor menselijke of dierlijke voeding.
4. Grondstoffen van GN-code 0701 90 10 mogen slechts worden verbouwd onder de navolgende voorwaarden:
a. de betrokken percelen zijn in de drie voorafgaande teeltseizoenen niet met aardappelen bebouwd geweest;
b. ten hoogste 25% van de totale oppervlakte akkerland van het bedrijf wordt gebruikt voor de teelt van aardappelen;
c. gedurende de vijf kalenderjaren, die volgen op de onderhavige aardappelteelt, blijft een grondontsmetting achterwege;
d. voor de onderhavige aardappelteelt worden slechts aardappelrassen gebruikt, waaraan blijkens de meest recente Beschrijvende Rassenlijst voor landbouwgewassen ten minste het cijfer 6 is toegekend voor de eigenschap ’resistentie tegen Phytophthora in het loof’;
e. voordat de onderhavige aardappelteelt aanvangt, wordt ieder daarvoor bestemd perceel door een door de minister aangewezen instelling onderzocht op aardappelmoeheid;
f. indien een perceel, dat voor de onderhavige aardappelteelt wordt gebruikt, blijkens het in onderdeel c bedoelde onderzoek niet vrij is van aardappelmoeheid, worden daarop slechts aardappelen geteeld van rassen, die door de in onderdeel c bedoelde instelling zijn aangewezen.