BWBR0009110
Geldig vanaf 1997-12-19
Artikel 5
Regeling permanente eisen taxi’s
1. Indien op de bijlageeen nooduitgang in het dak dan wel een hamertje is aangegeven moet:
a. een nooduitgang in het dak aanwezig zijn, of
b. een noodhamertje op een zichtbare plaats zijn aangebracht.
2. De in het eerste lid genoemde nooduitgang in het dak moet van binnen en van buiten kunnen worden geopend.
a. Het in het eerste lid genoemde noodhamertje moet zijn voorzien van een signalering dat de chauffeur van de taxi waarschuwt in geval van verwijdering van het noodhamertje.
b. Indien aan het noodhamertje een kabel is verbonden, moet deze een zodanige lengte hebben dat met het noodhamertje het midden van de ruit in welke directe omgeving het hamertje is bevestigd, kan worden bereikt.
4. Met een op de bijlagebij een schuifdeur aangegeven tweede deurklink, moet de betreffende schuifdeur kunnen worden geopend.
a. een nooduitgang in het dak aanwezig zijn, of
b. een noodhamertje op een zichtbare plaats zijn aangebracht.
2. De in het eerste lid genoemde nooduitgang in het dak moet van binnen en van buiten kunnen worden geopend.
a. Het in het eerste lid genoemde noodhamertje moet zijn voorzien van een signalering dat de chauffeur van de taxi waarschuwt in geval van verwijdering van het noodhamertje.
b. Indien aan het noodhamertje een kabel is verbonden, moet deze een zodanige lengte hebben dat met het noodhamertje het midden van de ruit in welke directe omgeving het hamertje is bevestigd, kan worden bereikt.
4. Met een op de bijlagebij een schuifdeur aangegeven tweede deurklink, moet de betreffende schuifdeur kunnen worden geopend.