BWBR0009110
Geldig vanaf 1997-12-19
Artikel 7
Regeling permanente eisen taxi’s
1. Op de plaats waar rolstoelen kunnen worden bevestigd moeten, met uitzondering van de plaatsen waar eventuele stoelen of banken zijn bevestigd, de bevestigingsmiddelen voor deze rolstoelen en de daarbij behorende autogordels aanwezig zijn.
2. De rails en de vastzetinrichtingen alsmede de onderdelen ervan voor de bevestiging van rolstoelen, mogen niet zijn vervormd of beschadigd.
3. Vastzetinrichtingen moeten op de daarvoor aanwezige bevestigingspunten passend kunnen worden bevestigd.
4. Vergrendelinrichtingen van vastzetinrichtingen moeten met de hand te bedienen zijn en moeten functioneren.
5. Bevestigingsmiddelen niet zijnde vastzetinrichtingen en autogordels moeten zijn voorzien van een goedwerkende sluiting en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
6. De vrije ruimte voor een rolstoelplaats moet bestaan uit een fictief blok met een lengte van 120 cm, een hoogte van 140 cm, een breedte van 68 cm tot een hoogte van 60 cm en een breedte van 50 cm daarboven, waarvan een van de korte ribben aan het bovenvlak is afgerond met een straal van 90 cm.
7. De in het zesde lid bedoelde maten mogen worden verminderd tot een lengtemaat van 110 cm in situaties waarin meerdere rolstoelen in elkaars verlengde worden geplaatst en tot een breedtemaat van 65 cm in situaties waarin meerdere rolstoelen naast elkaar worden geplaatst.
8. De artikelen 2.12.1en 2.12.2 van de Regeling permanente eisenzijn van overeenkomstige toepassing.
2. De rails en de vastzetinrichtingen alsmede de onderdelen ervan voor de bevestiging van rolstoelen, mogen niet zijn vervormd of beschadigd.
3. Vastzetinrichtingen moeten op de daarvoor aanwezige bevestigingspunten passend kunnen worden bevestigd.
4. Vergrendelinrichtingen van vastzetinrichtingen moeten met de hand te bedienen zijn en moeten functioneren.
5. Bevestigingsmiddelen niet zijnde vastzetinrichtingen en autogordels moeten zijn voorzien van een goedwerkende sluiting en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
6. De vrije ruimte voor een rolstoelplaats moet bestaan uit een fictief blok met een lengte van 120 cm, een hoogte van 140 cm, een breedte van 68 cm tot een hoogte van 60 cm en een breedte van 50 cm daarboven, waarvan een van de korte ribben aan het bovenvlak is afgerond met een straal van 90 cm.
7. De in het zesde lid bedoelde maten mogen worden verminderd tot een lengtemaat van 110 cm in situaties waarin meerdere rolstoelen in elkaars verlengde worden geplaatst en tot een breedtemaat van 65 cm in situaties waarin meerdere rolstoelen naast elkaar worden geplaatst.
8. De artikelen 2.12.1en 2.12.2 van de Regeling permanente eisenzijn van overeenkomstige toepassing.