BWBR0010869
Geldig vanaf 01-03-2004
Artikel 7
Zuivelverordening 2000, Handmatig nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk
1. Elke door een melkveehouder aan een ontvanger van boerderijmelk te leveren hoeveelheid tankmelk wordt bemonsterd, en wel op een zodanige wijze, dat het daardoor verkregen monster kan worden bestemd voor het verrichten van het kwaliteitsonderzoek.
De voorzitter kan, gehoord het COKZ, in bijzondere omstandigheden ontheffing van deze bepaling verlenen onder nader te stellen voorwaarden.
De monsterneming heeft plaats uit de tank waarin de melk wordt bewaard.
2. Tankmelk welke de ontvanger van boerderijmelk weigert te ontvangen, behoeft niet te worden bemonsterd.
3. De monsters hebben de gemiddelde samenstelling van de leverantie waarvan ze zijn genomen.
De melkkoeltank is hiertoe voorzien van een intermitterend roerwerk, dat telkens, met een onderbreking van ten hoogste een halfuur, de inhoud van de tank ten minste twee minuten roert en dat tevens voldoet aan de eisen neergelegd in NEN-ISO 5708 - Melkkoeltanks voor boerderijen.
Voor de monsterneming wordt de inhoud van de melkkoeltank ten minste één minuut door het handmatig inschakelen van het automatisch werkend roerapparaat geroerd.
Indien de melkkoeltank niet is voorzien van een intermitterend roerwerk wordt de inhoud van de melkkoeltank voor de monsterneming ten minste twee minuten door middel van een daarvoor bestemd automatisch werkend roerapparaat geroerd.
4. De monsterneming geschiedt onmiddellijk na het roeren, terwijl de melk nog in beweging is, en wel voordat de kraan van de melkkoeltank wordt geopend.
5. De monsterlepel wordt alleen aan de handgreep aangevat.
6. De monsterlepel wordt eerst tweemaal met de melk die wordt bemonsterd, omgespoeld en weer leeggegoten, alvorens 65 ± 5 ml. melk in het monsterflesje wordt geschept, dat daarna direct wordt afgesloten met de bij de monsterfles behorende dop.
7. De monsterlepel wordt vervolgens met water van drinkwaterkwaliteit goed schoongespoeld, en daarna in de in artikel 6, lid 2, bedoelde houder geplaatst.
8. Tijdens het gebruik wordt de monsterlepel zodanig behandeld, dat hij niet kan worden verontreinigd.
9. De monsters zijn duidelijk gekenmerkt.
10. De chauffeur-monsternemer draagt er zorg voor dat de op de monsters betrekking hebbende bijzonderheden omtrent de naam van de chauffeur-monsternemer, herkomst van de monsters, datum en tijdstip van de bemonstering, het tijdstip van het plaatsen van de monsters in de gekoelde ruimte van de ontvanger van boerderijmelk e.d., tezamen met de nummers van de monsters ordelijk worden geregistreerd.
De voorzitter kan, gehoord het COKZ, in bijzondere omstandigheden ontheffing van deze bepaling verlenen onder nader te stellen voorwaarden.
De monsterneming heeft plaats uit de tank waarin de melk wordt bewaard.
2. Tankmelk welke de ontvanger van boerderijmelk weigert te ontvangen, behoeft niet te worden bemonsterd.
3. De monsters hebben de gemiddelde samenstelling van de leverantie waarvan ze zijn genomen.
De melkkoeltank is hiertoe voorzien van een intermitterend roerwerk, dat telkens, met een onderbreking van ten hoogste een halfuur, de inhoud van de tank ten minste twee minuten roert en dat tevens voldoet aan de eisen neergelegd in NEN-ISO 5708 - Melkkoeltanks voor boerderijen.
Voor de monsterneming wordt de inhoud van de melkkoeltank ten minste één minuut door het handmatig inschakelen van het automatisch werkend roerapparaat geroerd.
Indien de melkkoeltank niet is voorzien van een intermitterend roerwerk wordt de inhoud van de melkkoeltank voor de monsterneming ten minste twee minuten door middel van een daarvoor bestemd automatisch werkend roerapparaat geroerd.
4. De monsterneming geschiedt onmiddellijk na het roeren, terwijl de melk nog in beweging is, en wel voordat de kraan van de melkkoeltank wordt geopend.
5. De monsterlepel wordt alleen aan de handgreep aangevat.
6. De monsterlepel wordt eerst tweemaal met de melk die wordt bemonsterd, omgespoeld en weer leeggegoten, alvorens 65 ± 5 ml. melk in het monsterflesje wordt geschept, dat daarna direct wordt afgesloten met de bij de monsterfles behorende dop.
7. De monsterlepel wordt vervolgens met water van drinkwaterkwaliteit goed schoongespoeld, en daarna in de in artikel 6, lid 2, bedoelde houder geplaatst.
8. Tijdens het gebruik wordt de monsterlepel zodanig behandeld, dat hij niet kan worden verontreinigd.
9. De monsters zijn duidelijk gekenmerkt.
10. De chauffeur-monsternemer draagt er zorg voor dat de op de monsters betrekking hebbende bijzonderheden omtrent de naam van de chauffeur-monsternemer, herkomst van de monsters, datum en tijdstip van de bemonstering, het tijdstip van het plaatsen van de monsters in de gekoelde ruimte van de ontvanger van boerderijmelk e.d., tezamen met de nummers van de monsters ordelijk worden geregistreerd.
- Citeren als
- Art. 7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0010869
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl