BWBR0010869
Geldig vanaf 30-07-2005
Artikel 8
Zuivelverordening 2000, Handmatig nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk
1. De ontvanger van boerderijmelk zorgt ervoor dat de monsters boerderijmelk, nadat ze zijn genomen, direct worden gekoeld en uiterlijk binnen 1 uur een temperatuur hebben bereikt van ten minste 0,0 en ten hoogste 4,0°C.
2. Na afloop van de in lid 1 bedoelde termijn van maximaal 1 uur worden de monsters bij een temperatuur van ten minste 0,0 en ten hoogste 4,0°C bewaard, tot het moment waarop zij in onderzoek worden genomen. Lokale ijsvorming wordt voorkomen.
3. Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor het onderzoek op kiemgetal, worden bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 4,0°C en binnen 36 uur na monsterneming op kiemgetal in onderzoek genomen.
4. Monsters boerderijmelk die zijn bestemd voor onderzoek op melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen worden, in afwijking van lid 1 en 2, bewaard bij ten hoogste 8,0°C en moeten binnen 96 uur na monsterneming in onderzoek zijn genomen. Voornoemde temperatuurgrens van 8,0°C mag gedurende een periode van maximaal 24 uur tot ten hoogste 20°C worden overschreden.
5. Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor onderzoeken in het kader van de bepaling van de kwaliteit, anders dan genoemd onder lid 3 en 4, worden, in afwijking van lid 1 en 2:
a. bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 8,0°C en binnen 36 uur na monsterneming in onderzoek genomen of;
b. bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 4,0°C en binnen 96 uur na monsterneming in onderzoek genomen.
6. Monsters die zijn bestemd voor de bepaling van de samenstelling worden, in afwijking van lid 1 en 2, bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 8,0°C en binnen 96 uur in onderzoek genomen.
7. Indien de bewaring en koeling van de genomen monsters tijdens het vervoer geschiedt met behulp van een water/ijsmengsel, wordt het water gedesinfecteerd door toevoeging van een zodanige hoeveelheid jodofoor, dat het gehalte aan titreerbaar jodium in de ontsmettingsvloeistof ten minste 10 en ten hoogste 150 mg/l bedraagt.
8. De monsters worden zo snel mogelijk nadat zij zijn genomen geplaatst in een speciaal daarvoor bestemde, niet voor onbevoegden toegankelijke, schone gekoelde ruimte.
9. Indien voor de temperatuurcontrole een adequaat systeem met automatische meting en registratie wordt toegepast, worden de in de leden 1 tot en met 6 bedoelde bepalingen betreffende de bewaartemperaturen geacht te zijn nageleefd, indien het voortschrijdend gemiddelde over elke aaneengesloten periode van twee uur, met ten minste vier metingen en registraties per uur, aan de temperatuurcriteria voldoet.
10. Teneinde de bovengenoemde bewaarcondities van de monsters in acht te nemen, bepalen het melkcontrolestation en de ontvanger van boerderijmelk in onderling overleg de tijdstippen waarop de genomen monsters door het melkcontrolestation worden opgehaald respectievelijk in onderzoek worden genomen, met dien verstande dat de monsters zo spoedig mogelijk na aankomst bij de ontvanger van boerderijmelk naar het melkcontrolestation worden vervoerd.
2. Na afloop van de in lid 1 bedoelde termijn van maximaal 1 uur worden de monsters bij een temperatuur van ten minste 0,0 en ten hoogste 4,0°C bewaard, tot het moment waarop zij in onderzoek worden genomen. Lokale ijsvorming wordt voorkomen.
3. Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor het onderzoek op kiemgetal, worden bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 4,0°C en binnen 36 uur na monsterneming op kiemgetal in onderzoek genomen.
4. Monsters boerderijmelk die zijn bestemd voor onderzoek op melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen worden, in afwijking van lid 1 en 2, bewaard bij ten hoogste 8,0°C en moeten binnen 96 uur na monsterneming in onderzoek zijn genomen. Voornoemde temperatuurgrens van 8,0°C mag gedurende een periode van maximaal 24 uur tot ten hoogste 20°C worden overschreden.
5. Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor onderzoeken in het kader van de bepaling van de kwaliteit, anders dan genoemd onder lid 3 en 4, worden, in afwijking van lid 1 en 2:
a. bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 8,0°C en binnen 36 uur na monsterneming in onderzoek genomen of;
b. bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 4,0°C en binnen 96 uur na monsterneming in onderzoek genomen.
6. Monsters die zijn bestemd voor de bepaling van de samenstelling worden, in afwijking van lid 1 en 2, bewaard bij ten minste 0,0°C en ten hoogste 8,0°C en binnen 96 uur in onderzoek genomen.
7. Indien de bewaring en koeling van de genomen monsters tijdens het vervoer geschiedt met behulp van een water/ijsmengsel, wordt het water gedesinfecteerd door toevoeging van een zodanige hoeveelheid jodofoor, dat het gehalte aan titreerbaar jodium in de ontsmettingsvloeistof ten minste 10 en ten hoogste 150 mg/l bedraagt.
8. De monsters worden zo snel mogelijk nadat zij zijn genomen geplaatst in een speciaal daarvoor bestemde, niet voor onbevoegden toegankelijke, schone gekoelde ruimte.
9. Indien voor de temperatuurcontrole een adequaat systeem met automatische meting en registratie wordt toegepast, worden de in de leden 1 tot en met 6 bedoelde bepalingen betreffende de bewaartemperaturen geacht te zijn nageleefd, indien het voortschrijdend gemiddelde over elke aaneengesloten periode van twee uur, met ten minste vier metingen en registraties per uur, aan de temperatuurcriteria voldoet.
10. Teneinde de bovengenoemde bewaarcondities van de monsters in acht te nemen, bepalen het melkcontrolestation en de ontvanger van boerderijmelk in onderling overleg de tijdstippen waarop de genomen monsters door het melkcontrolestation worden opgehaald respectievelijk in onderzoek worden genomen, met dien verstande dat de monsters zo spoedig mogelijk na aankomst bij de ontvanger van boerderijmelk naar het melkcontrolestation worden vervoerd.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0010869
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl