BWBR0011301
Geldig vanaf 2000-10-18
Artikel 20
Wet scheepsuitrusting
1. In uitzonderlijke gevallen van technische innovatie kan Onze Minister voor uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van een Nederlands schip, waarvoor toepasselijke keuringsvoorschriften ontbreken, een certificaat van gelijkwaardigheid afgeven, indien die uitrusting naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan uitrusting die voldoet aan de productvoorschriften.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de toepassing van het eerste lid, de wijze waarop de gelijkwaardigheid van uitrusting wordt beoordeeld, en de verschuldigde vergoeding voor de kosten van de beoordeling van gelijkwaardigheid en de afgifte van het certificaat van gelijkwaardigheid.
3. Aan het gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat van gelijkwaardigheid is afgegeven, kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. Deze beperkingen en voorschriften worden in het certificaat vermeld.
4. Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten van de Europese Unie onmiddellijk in kennis van de afgifte van een certificaat van gelijkwaardigheid. Hij vermeldt daarbij de bijzonderheden van het geval en doet de Commissie en de andere lidstaten afschriften van de beoordelingsverslagen toekomen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de toepassing van het eerste lid, de wijze waarop de gelijkwaardigheid van uitrusting wordt beoordeeld, en de verschuldigde vergoeding voor de kosten van de beoordeling van gelijkwaardigheid en de afgifte van het certificaat van gelijkwaardigheid.
3. Aan het gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat van gelijkwaardigheid is afgegeven, kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. Deze beperkingen en voorschriften worden in het certificaat vermeld.
4. Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten van de Europese Unie onmiddellijk in kennis van de afgifte van een certificaat van gelijkwaardigheid. Hij vermeldt daarbij de bijzonderheden van het geval en doet de Commissie en de andere lidstaten afschriften van de beoordelingsverslagen toekomen.