BWBR0011441
Geldig vanaf 2000-07-01
Artikel 9u
Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000
1. Eenieder, die het deel van de plaats, waar runderen, schapen of geiten verblijven, betreedt of verlaat, ontsmet zijn schoeisel door middel van voorzieningen, die duidelijk zichtbaar aanwezig zijn bij elke in- en uitgang van voornoemd deel van de plaats.
2. Op de plaats zijn voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen, waarmee evenhoevigen worden vervoerd, één of meer installaties aanwezig die water leveren van voldoende druk voor een deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting.
3. Artikel 6, eerste lid, van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000is niet van toepassing bij het uitladen van evenhoevigen op een plaats.
4. Voordat een vervoermiddel, dat geladen is met runderen, schapen of geiten, de plaats verlaat reinigt en ontsmet de bestuurder de wielen en wielkasten van dat vervoermiddel.
5. De reiniging en ontsmetting, bedoeld in het vierde lid, geschiedt op een verharde en voor water ondoordringbare ondergrond.
6. Bij de installatie of inrichting voor het reinigen en ontsmetten van vervoermiddelen, bedoeld in het tweede lid, is een lekvrije en afsluitbare voorziening voor de tijdelijke opslag en afvoer van mest en strooisel aanwezig.
7. Zo spoedig mogelijk na afloop van de tentoonstelling of keuring worden de verharde terreindelen van de plaats gereinigd en ontsmet met een installatie als bedoeld in artikel 9c, onderdeel t.
2. Op de plaats zijn voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen, waarmee evenhoevigen worden vervoerd, één of meer installaties aanwezig die water leveren van voldoende druk voor een deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting.
3. Artikel 6, eerste lid, van de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000is niet van toepassing bij het uitladen van evenhoevigen op een plaats.
4. Voordat een vervoermiddel, dat geladen is met runderen, schapen of geiten, de plaats verlaat reinigt en ontsmet de bestuurder de wielen en wielkasten van dat vervoermiddel.
5. De reiniging en ontsmetting, bedoeld in het vierde lid, geschiedt op een verharde en voor water ondoordringbare ondergrond.
6. Bij de installatie of inrichting voor het reinigen en ontsmetten van vervoermiddelen, bedoeld in het tweede lid, is een lekvrije en afsluitbare voorziening voor de tijdelijke opslag en afvoer van mest en strooisel aanwezig.
7. Zo spoedig mogelijk na afloop van de tentoonstelling of keuring worden de verharde terreindelen van de plaats gereinigd en ontsmet met een installatie als bedoeld in artikel 9c, onderdeel t.