BWBR0011982
Geldig vanaf 2019-06-26
Artikel 7
Besluit personenvervoer 2000
1. De artikelen 12, 13, 14, 70 tot en met 74, 87, 88, eerste lid, 89 tot en met 93, 97, 98, 101, 102, 105en 106 van de wet, en de artikelen 10en 11en hoofdstuk 4van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling per passagiersschip dat wordt verricht:
a. krachtens een door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de wet met een vervoerder gesloten overeenkomst voor ten hoogste zes jaar of voor een langere duur, voor zover Onze Minister met die duur heeft ingestemd op grond van aanzienlijke investeringen door de vervoerder in voor het te verrichten vervoer noodzakelijke materieel, en
b. waarbij de overeenkomst tot stand is gekomen na een procedure van aanbesteding voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening krachtens de Aanbestedingswet 2012 voor het plaatsen van opdrachten voor dienstverlening.
2. De artikelen 27, 28, 31, 32en 44 van de weten de artikelen 31 tot en met 34 van dit besluitzijn van overeenkomstige toepassing op vervoer als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat wordt gelezen voor:
a. concessie: in artikel 7, eerste lid, van het besluit bedoelde overeenkomst;
b. concessiehouder: vervoerder;
c. aan de concessie te verbinden voorschriften: in de overeenkomst te regelen onderwerpen;
d. concessiegebied: gebied waarvoor de overeenkomst is gesloten.
3. Dit artikel is niet van toepassing op vervoer dat wordt verricht met passagiersschepen:
a. met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van minder dan 30 kilometer per uur,
b. die zijn bestemd voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen, niet zijnde een brommobiel of een gehandicaptenvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel ia, onderscheidenlijk onderdeel r van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of
c. op de Waddenzee, met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee.
4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, zijn de bij en krachtens hoofdstuk III, paragrafen 4aen 4b, van de wetgestelde regels van overeenkomstige toepassing op het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voor zover dat vervoer wordt verricht in opdracht van een bestuursorgaan behorend tot een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 63a van de wet. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van Verordening (EG) 1370/2007regels worden gesteld met betrekking tot dit artikellid.
a. krachtens een door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de wet met een vervoerder gesloten overeenkomst voor ten hoogste zes jaar of voor een langere duur, voor zover Onze Minister met die duur heeft ingestemd op grond van aanzienlijke investeringen door de vervoerder in voor het te verrichten vervoer noodzakelijke materieel, en
b. waarbij de overeenkomst tot stand is gekomen na een procedure van aanbesteding voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening krachtens de Aanbestedingswet 2012 voor het plaatsen van opdrachten voor dienstverlening.
2. De artikelen 27, 28, 31, 32en 44 van de weten de artikelen 31 tot en met 34 van dit besluitzijn van overeenkomstige toepassing op vervoer als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat wordt gelezen voor:
a. concessie: in artikel 7, eerste lid, van het besluit bedoelde overeenkomst;
b. concessiehouder: vervoerder;
c. aan de concessie te verbinden voorschriften: in de overeenkomst te regelen onderwerpen;
d. concessiegebied: gebied waarvoor de overeenkomst is gesloten.
3. Dit artikel is niet van toepassing op vervoer dat wordt verricht met passagiersschepen:
a. met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van minder dan 30 kilometer per uur,
b. die zijn bestemd voor het vervoer van voertuigen op meer dan twee wielen, niet zijnde een brommobiel of een gehandicaptenvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel ia, onderscheidenlijk onderdeel r van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of
c. op de Waddenzee, met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee.
4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, zijn de bij en krachtens hoofdstuk III, paragrafen 4aen 4b, van de wetgestelde regels van overeenkomstige toepassing op het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voor zover dat vervoer wordt verricht in opdracht van een bestuursorgaan behorend tot een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 63a van de wet. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering van Verordening (EG) 1370/2007regels worden gesteld met betrekking tot dit artikellid.