BWBR0011982
Geldig vanaf 2019-06-26
Artikel 7a
Besluit personenvervoer 2000
1. De artikelen 1, 12 tot en met 14, 19, eerste en tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 25 eerste, tweede en derde lid, 26, eerste lid met uitzondering van de zinsnede «bedoeld in artikel 20, tweede en derde lid», 27, 28 tot en met 29a, 31 tot en met 32a, 33 tot en met 37, 38 met uitzondering van het tweede en derde lid, 39, 40, 41, 43, 43a, tweede tot en met zevende lid, 43ben 43c, 44, 45, 46, 49, 70, 71, 72, 73, 74, 87 met uitzondering van het vierde lid, 88, eerste lid, 89, 90 tot en met 93, 97, 98, 100, 101, 102, 105en 106 van de weten de artikelen 1, 2, 10, eerste lid, onderdelen a tot en met e en onderdeel g, 11, 31, 33, 34, 39, 44 tot en met 46, 48, 49, 51, 52en 53van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op voor een ieder openstaand personenvervoer met of zonder een dienstregeling per veerboot of passagiersschip dat wordt verricht tussen twee of meer aanlegplaatsen gelegen aan de Waddenzee, met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee en met havens die in open verbinding staan met de Waddenzee, waarbij Vlieland, Terschelling, Ameland of Schiermonnikoog met het vasteland wordt verbonden.
2. Met het in het eerste lid genoemde personenvervoer wordt tevens bedoeld vervoer van personen die zich verplaatsen per motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van vrachtauto’s als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen. De bedoelde motorrijtuigen kunnen voorzien zijn van een aanhangwagen.
3. Onze Minister verleent concessies voor het personenvervoer, bedoeld in het eerste lid, voor de duur van ten hoogste 15 jaar nadat daartoe een aanbesteding is gehouden. Artikel 5, derde lid, van Verordening (EG) 1370/2007 is daarbij van toepassing.
4. Onze Minister kan in afwijking van het derde lid, de in dat lid genoemde concessie voor de eerste maal verlenen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien die concessie voldoet aan een van de kenmerken betreffende personenvervoer, anders dan per spoor, als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van Verordening (EG) 1370/2007.
Indien Onze Minister een concessie als bedoeld in de eerste volzin verleent, wordt het programma van eisen, bedoeld in artikel 44 van de wet, voorafgaand aan de concessieverlening gepubliceerd.
5. Voor de toepassing van de artikelen van de wet en het besluit op het vervoer, bedoeld in het eerste lid, wordt gelezen voor:
a. trein: het in het eerste lid bedoelde vervoer;
b. station, stations, halteplaats of perron: de in het eerste lid bedoelde aanlegplaatsen;
c. aanbesteding van een concessie of concessies: verlening van een concessie of concessies;
d. aanbestedingsreglement: reglement;
e. auto, bus, trein, metro, tram of via geleidesysteem voortbewogen voertuig: het in het eerste lid bedoelde vervoer;
f. openbaar vervoer: het in het eerste lid bedoelde vervoer.
6. De plicht te gedogen, bedoeld in artikel 35 van de wet, geldt voor het in het eerste lid bedoelde vervoer ten aanzien van het gebruik door de concessiehouder van de haveninfrastructuur waaronder wordt verstaan:
a. haventerreinen;
b. aanleginrichtingen.
2. Met het in het eerste lid genoemde personenvervoer wordt tevens bedoeld vervoer van personen die zich verplaatsen per motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van vrachtauto’s als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen. De bedoelde motorrijtuigen kunnen voorzien zijn van een aanhangwagen.
3. Onze Minister verleent concessies voor het personenvervoer, bedoeld in het eerste lid, voor de duur van ten hoogste 15 jaar nadat daartoe een aanbesteding is gehouden. Artikel 5, derde lid, van Verordening (EG) 1370/2007 is daarbij van toepassing.
4. Onze Minister kan in afwijking van het derde lid, de in dat lid genoemde concessie voor de eerste maal verlenen zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden, indien die concessie voldoet aan een van de kenmerken betreffende personenvervoer, anders dan per spoor, als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van Verordening (EG) 1370/2007.
Indien Onze Minister een concessie als bedoeld in de eerste volzin verleent, wordt het programma van eisen, bedoeld in artikel 44 van de wet, voorafgaand aan de concessieverlening gepubliceerd.
5. Voor de toepassing van de artikelen van de wet en het besluit op het vervoer, bedoeld in het eerste lid, wordt gelezen voor:
a. trein: het in het eerste lid bedoelde vervoer;
b. station, stations, halteplaats of perron: de in het eerste lid bedoelde aanlegplaatsen;
c. aanbesteding van een concessie of concessies: verlening van een concessie of concessies;
d. aanbestedingsreglement: reglement;
e. auto, bus, trein, metro, tram of via geleidesysteem voortbewogen voertuig: het in het eerste lid bedoelde vervoer;
f. openbaar vervoer: het in het eerste lid bedoelde vervoer.
6. De plicht te gedogen, bedoeld in artikel 35 van de wet, geldt voor het in het eerste lid bedoelde vervoer ten aanzien van het gebruik door de concessiehouder van de haveninfrastructuur waaronder wordt verstaan:
a. haventerreinen;
b. aanleginrichtingen.