BWBR0012066
Geldig vanaf 2005-08-22
Artikel 11e
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
1. Gedurende ten hoogste de eerste drie jaar waarin de belastingplichtige anders dan als werknemer deelneemt aan een pensioenregeling op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet op het notarisambtof de Wet verplichte beroepspensioenregelingwordt met pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wetgelijkgesteld: een schatting van de belastingplichtige van zijn pensioengevend inkomen in het betreffende jaar van deelname.
2. Ingeval de belastingplichtige ter zake van de schatting, bedoeld in het eerste lid, te kwader trouw is, is het eerste lid niet van toepassing en wordt het pensioengevend inkomen gesteld op de in het dienstjaar genoten winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek en vermeerderd met de ten laste van de winst gebrachte premies uit hoofde van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet, waarbij het pensioengevend inkomen ten minste wordt gesteld op nihil. Artikel 3.95, eerste lid, tweede volzin, van de wetis van overeenkomstige toepassing.
2. Ingeval de belastingplichtige ter zake van de schatting, bedoeld in het eerste lid, te kwader trouw is, is het eerste lid niet van toepassing en wordt het pensioengevend inkomen gesteld op de in het dienstjaar genoten winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek en vermeerderd met de ten laste van de winst gebrachte premies uit hoofde van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet, waarbij het pensioengevend inkomen ten minste wordt gesteld op nihil. Artikel 3.95, eerste lid, tweede volzin, van de wetis van overeenkomstige toepassing.