BWBR0012177
Geldig vanaf 2001-02-09
Artikel 10
Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs
1. Onze Minister stelt op aanvraag vast of recht op bovenwettelijke uitkering bestaat. Voorzover in dit besluit niet anders is bepaald, zijn de artikelen 22 tot en met 27en 28 WWvan overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de WW-uitkering en op de aansluitende uitkering, behalve in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de aanvraag om aanvulling op de WW-uitkering en om aansluitende uitkering geacht te zijn gedaan op dezelfde dag als de aanvraag om WW-uitkering, tenzij de aanvraag om aanvulling op de WW-uitkering en aansluitende uitkering meer dan drie maanden nadat de WW-uitkering is toegekend, is ingediend.
3. De artikelen 28, 30, 30a, 31, eerste lid, 37, 38a, eerste en vierde lid, 44, 45, 49en 54 ZWzijn van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de ZW-uitkering en op de aansluitende uitkering in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid.
4. Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 25 WW, artikel 31, eerste lid, ZWof artikel 49 ZWniet of niet behoorlijk is nagekomen, kan Onze Minister de bovenwettelijke uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigeren.
5. Op de aanvulling van de uitkering op grond van de WAZOis het derde lid en zijn de artikelen 3:12en 3:16, eerste lid, onderdelen b, d, f en g, WAZO, van overeenkomstige toepassing.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de aanvraag om aanvulling op de WW-uitkering en om aansluitende uitkering geacht te zijn gedaan op dezelfde dag als de aanvraag om WW-uitkering, tenzij de aanvraag om aanvulling op de WW-uitkering en aansluitende uitkering meer dan drie maanden nadat de WW-uitkering is toegekend, is ingediend.
3. De artikelen 28, 30, 30a, 31, eerste lid, 37, 38a, eerste en vierde lid, 44, 45, 49en 54 ZWzijn van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de ZW-uitkering en op de aansluitende uitkering in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid.
4. Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 25 WW, artikel 31, eerste lid, ZWof artikel 49 ZWniet of niet behoorlijk is nagekomen, kan Onze Minister de bovenwettelijke uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigeren.
5. Op de aanvulling van de uitkering op grond van de WAZOis het derde lid en zijn de artikelen 3:12en 3:16, eerste lid, onderdelen b, d, f en g, WAZO, van overeenkomstige toepassing.