BWBR0012177
Geldig vanaf 2001-02-09
Artikel 22
Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs
1. Voorzover de WWen de ZWnog niet op hem van toepassing zijn geworden, kan een betrokkene geen aanspraken ontlenen aan dit besluit. Voorzover de WWen de ZWop hem van toepassing zijn geworden, kan een betrokkene geen aanspraken meer ontlenen aan het BWOO.
2. Zonodig in afwijking van het eerste lid:
a. kan een recht op uitkering herleven op grond van artikel 7, vijfde lid, BWOO, en
b. kan een recht op loonsuppletie op grond van artikel 38, zesde lid, BWOO herleven. Voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op loonsuppletie op grond van artikel 38 BWOO en op grond van artikel 15, wordt alleen de hoogste loonsuppletie uitbetaald.
3. Voor de toepassing van artikel 16wordt een recht op aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk II, paragraaf 1 BWOOaangemerkt als een recht op bovenwettelijke uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, indien de betrokkene op de ingangsdatum van het recht op loongerelateerde uitkering op grond van het BWOOwaarop dit recht op aanvullende uitkering is gevolgd, ten minste 40 jaar oud was. Als duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering als bedoeld in artikel 16, wordt in aanmerking genomen de som van de duur van de loongerelateerde uitkering op grond van het BWOOwaarop de aanvullende uitkering is gevolgd, en de duur van de aanvullende uitkering.
2. Zonodig in afwijking van het eerste lid:
a. kan een recht op uitkering herleven op grond van artikel 7, vijfde lid, BWOO, en
b. kan een recht op loonsuppletie op grond van artikel 38, zesde lid, BWOO herleven. Voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op loonsuppletie op grond van artikel 38 BWOO en op grond van artikel 15, wordt alleen de hoogste loonsuppletie uitbetaald.
3. Voor de toepassing van artikel 16wordt een recht op aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk II, paragraaf 1 BWOOaangemerkt als een recht op bovenwettelijke uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, indien de betrokkene op de ingangsdatum van het recht op loongerelateerde uitkering op grond van het BWOOwaarop dit recht op aanvullende uitkering is gevolgd, ten minste 40 jaar oud was. Als duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering als bedoeld in artikel 16, wordt in aanmerking genomen de som van de duur van de loongerelateerde uitkering op grond van het BWOOwaarop de aanvullende uitkering is gevolgd, en de duur van de aanvullende uitkering.