BWBR0012216
Geldig vanaf 2001-06-22
Artikel 23
Besluit financiële verhouding 2001
1. Een gemeente heeft een aanmerkelijk en structureel tekort als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet, indien:
a. het tekort van de gemeente groter of gelijk is aan 2% van de som van: 1°. de belastingcapaciteit van de gemeente met betrekking tot de onroerendezaakbelastingen;
2°. de algemene uitkering aan de gemeente;
3°. de decentralisatie-uitkeringen aan de gemeente;
4°. de integratie-uitkeringen aan de gemeente, en
1°. de belastingcapaciteit van de gemeente met betrekking tot de onroerendezaakbelastingen;
2°. de algemene uitkering aan de gemeente;
3°. de decentralisatie-uitkeringen aan de gemeente;
4°. de integratie-uitkeringen aan de gemeente, en
b. de gemeente in het eerste jaar van aanvraag aannemelijk kan maken dat het tekort zich over het begrotingsjaar en de drie daarop volgende jaren uitstrekt.
2. De belastingcapaciteit wordt bepaald door het totaal van de vastgestelde waarden bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, in de gemeente, neerwaarts afgerond op een veelvoud van 500 000 euro, te vermenigvuldigen met de absolute waarde van de bedragen per eenheid behorende bij de maatstaven die in bijlage 2, onder nummer 1, 1a en 1b zijn vermeld.
3. Bij de bepaling van de in het tweede lid bedoelde waarden wordt niet meegerekend de waarde van onroerende zaken of delen van onroerende zaken waarover het de gemeente verboden is, bij of krachtens wettelijk voorschrift, onroerende-zaakbelasting te heffen.
a. het tekort van de gemeente groter of gelijk is aan 2% van de som van: 1°. de belastingcapaciteit van de gemeente met betrekking tot de onroerendezaakbelastingen;
2°. de algemene uitkering aan de gemeente;
3°. de decentralisatie-uitkeringen aan de gemeente;
4°. de integratie-uitkeringen aan de gemeente, en
1°. de belastingcapaciteit van de gemeente met betrekking tot de onroerendezaakbelastingen;
2°. de algemene uitkering aan de gemeente;
3°. de decentralisatie-uitkeringen aan de gemeente;
4°. de integratie-uitkeringen aan de gemeente, en
b. de gemeente in het eerste jaar van aanvraag aannemelijk kan maken dat het tekort zich over het begrotingsjaar en de drie daarop volgende jaren uitstrekt.
2. De belastingcapaciteit wordt bepaald door het totaal van de vastgestelde waarden bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, in de gemeente, neerwaarts afgerond op een veelvoud van 500 000 euro, te vermenigvuldigen met de absolute waarde van de bedragen per eenheid behorende bij de maatstaven die in bijlage 2, onder nummer 1, 1a en 1b zijn vermeld.
3. Bij de bepaling van de in het tweede lid bedoelde waarden wordt niet meegerekend de waarde van onroerende zaken of delen van onroerende zaken waarover het de gemeente verboden is, bij of krachtens wettelijk voorschrift, onroerende-zaakbelasting te heffen.