BWBR0012830
Geldig vanaf 19-01-2002
Artikel 12
Zuivelverordening 2001, Gewichtsbepaling boerderijmelk bij gebruik rijdende melkontvangsten met mobiel weegsysteem
1. Minimaal één keer per maand wordt van elke in gebruik zijnde RMO die is voorzien van een mobiel weegsysteem, een tussentijdse meting uitgevoerd. De tussentijdse meting wordt uitgevoerd door de ontvanger van boerderijmelk.
2. Voor de uitvoering van de tussentijdse meting kan gebruik worden gemaakt van een zuivelgekeurde weegbrug dan wel tanksnelweger.
3. Voor de uitvoering van een tussentijdse meting moet de volgende werkwijze worden gevolgd:
a) na beëindiging van een melkrit wordt eerst het gewicht van een geladen RMO vastgesteld, alvorens het gewicht van de lege RMO (tarragewicht) te bepalen, of
b) voor de aanvang van een melkrit wordt het gewicht van de lege RMO (tarragewicht) vastgesteld en na beëindiging van de melkrit het gewicht van de geladen RMO bepaald;
c) bij de vaststelling van de afwijking wordt rekening gehouden met het verbruik van dieselolie door de RMO; hierbij wordt uitgegaan van een verbruik van 1 kg op 3 kilometer.
4. Het verschil tussen de gemeten hoeveelheid door de RMO en de gemeten hoeveelheid door middel van de weegbrug/tanksnelweger mag niet meer zijn dan 0,5 %.
5. Als het verschil tussen de gemeten hoeveelheid door de RMO en de gemeten hoeveelheid door middel van de weegbrug/ tanksnelweger meer is dan 0,5 % vindt opnieuw een weging op een weegbrug dan wel tanksnelweger plaats.
6. Wanneer wederom een verschil groter dan 0,5 % wordt gevonden, moet zo snel mogelijk een zuivelkeuring uitgevoerd worden.
7. De gegevens van de tussentijdse metingen worden door de ontvanger van boerderijmelk bewaard en zijn ter inzage van het COKZ.
2. Voor de uitvoering van de tussentijdse meting kan gebruik worden gemaakt van een zuivelgekeurde weegbrug dan wel tanksnelweger.
3. Voor de uitvoering van een tussentijdse meting moet de volgende werkwijze worden gevolgd:
a) na beëindiging van een melkrit wordt eerst het gewicht van een geladen RMO vastgesteld, alvorens het gewicht van de lege RMO (tarragewicht) te bepalen, of
b) voor de aanvang van een melkrit wordt het gewicht van de lege RMO (tarragewicht) vastgesteld en na beëindiging van de melkrit het gewicht van de geladen RMO bepaald;
c) bij de vaststelling van de afwijking wordt rekening gehouden met het verbruik van dieselolie door de RMO; hierbij wordt uitgegaan van een verbruik van 1 kg op 3 kilometer.
4. Het verschil tussen de gemeten hoeveelheid door de RMO en de gemeten hoeveelheid door middel van de weegbrug/tanksnelweger mag niet meer zijn dan 0,5 %.
5. Als het verschil tussen de gemeten hoeveelheid door de RMO en de gemeten hoeveelheid door middel van de weegbrug/ tanksnelweger meer is dan 0,5 % vindt opnieuw een weging op een weegbrug dan wel tanksnelweger plaats.
6. Wanneer wederom een verschil groter dan 0,5 % wordt gevonden, moet zo snel mogelijk een zuivelkeuring uitgevoerd worden.
7. De gegevens van de tussentijdse metingen worden door de ontvanger van boerderijmelk bewaard en zijn ter inzage van het COKZ.
- Citeren als
- Art. 12
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0012830
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl