BWBR0013319
Geldig vanaf 01-01-2002
Artikel 10
Verordening op de Raad voor Geschillen
1. De Raad neemt een geschil slechts in behandeling:
a. indien een lid van het NIVRA een geschil met een derde heeft voorgelegd en de derde de Raad heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen;
b. indien een derde een geschil met een lid van het NIVRA heeft voorgelegd en deze derde de Raad heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen, in welk geval leden van het NIVRA gehouden zijn zich aan de uitspraak van de Raad te onderwerpen, onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel;
c. in alle overige gevallen indien partijen de Raad hebben laten weten dat zij zich aan de uitspraak van de Raad zullen onderwerpen.
2. In het geval bedoeld in het eerste lid onder b, kan het betrokken lid van de NIVRA het geschil met voorbijgaan van de Raad bij de volgens de wet bevoegde rechter aanhangig maken op de bij de wet voorgeschreven wijze, doch uiterlijk binnen van één maand nadat hem mededeling is gedaan van het aanhangig maken van een geschil bij de Raad, mits het lid de Raad daarvan gelijktijdig bij aangetekende brief in kennis stelt.
3. Aan het gestelde in het eerste lid onder c wordt geacht te zijn voldaan, indien partijen zijn overeengekomen, dat zij geschillen die tussen hen kunnen rijzen met uitsluiting van de gewone rechter aan de uitspraak van de Raad zullen onderwerpen, mits tenminste een van de partijen lid is van het NIVRA.
4. De voorzitter van de Raad beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan.
a. indien een lid van het NIVRA een geschil met een derde heeft voorgelegd en de derde de Raad heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen;
b. indien een derde een geschil met een lid van het NIVRA heeft voorgelegd en deze derde de Raad heeft laten weten zich aan de uitspraak van de Raad te zullen onderwerpen, in welk geval leden van het NIVRA gehouden zijn zich aan de uitspraak van de Raad te onderwerpen, onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel;
c. in alle overige gevallen indien partijen de Raad hebben laten weten dat zij zich aan de uitspraak van de Raad zullen onderwerpen.
2. In het geval bedoeld in het eerste lid onder b, kan het betrokken lid van de NIVRA het geschil met voorbijgaan van de Raad bij de volgens de wet bevoegde rechter aanhangig maken op de bij de wet voorgeschreven wijze, doch uiterlijk binnen van één maand nadat hem mededeling is gedaan van het aanhangig maken van een geschil bij de Raad, mits het lid de Raad daarvan gelijktijdig bij aangetekende brief in kennis stelt.
3. Aan het gestelde in het eerste lid onder c wordt geacht te zijn voldaan, indien partijen zijn overeengekomen, dat zij geschillen die tussen hen kunnen rijzen met uitsluiting van de gewone rechter aan de uitspraak van de Raad zullen onderwerpen, mits tenminste een van de partijen lid is van het NIVRA.
4. De voorzitter van de Raad beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan.
- Citeren als
- Art. 10
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013319
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl