BWBR0013891
Geldig vanaf 2003-09-04
Artikel 24a
Comptabiliteitswet 2001
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder subsidieregeling verstaan een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling op grond waarvan een subsidie kan worden verstrekt, waarop ingevolge <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:21" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht titel 4.2 van die wet</a>van toepassing is.
2. Een subsidieregeling van het Rijk bevat een tijdstip waarop die regeling vervalt.
Dit tijdstip valt niet later dan het tijdstip waarop na de inwerkingtreding van die regeling vijf jaren zijn verstreken.
3. Een regeling die strekt tot het verstrekken van subsidie onder in belangrijke mate dezelfde criteria voor in belangrijke mate dezelfde activiteiten als een in overeenstemming met het tweede lid vervallen regeling, wordt niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van die regeling met motieven omkleed aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.
4. Een regeling die strekt tot wijziging van het tijdstip waarop een subsidieregeling vervalt, wordt niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van die regeling met motieven omkleed aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.
5. In afwijking van het tweede lid, tweede volzin, kan een subsidieregeling een tijdstip bevatten waarop de regeling vervalt, dat is gelegen later dan vijf jaren, doch niet later dan tien jaren, na de inwerkingtreding van de regeling, indien:
a. uit de toelichting van de regeling blijkt dat het vervallen van de regeling binnen vijf jaren na inwerkingtreding ervan, gelet op de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend, afbreuk doet aan de effectiviteit van die activiteiten, en
b. door Onze betrokken Minister gedurende de looptijd van de regeling een verslag over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de subsidie aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt gezonden.
Een dergelijke regeling wordt niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van die regeling met motieven omkleed aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.
6. Indien binnen de in het vijfde lid genoemde termijn van 30 dagen door of namens de Tweede Kamer der Staten-Generaal of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van de Tweede Kamer de wens te kennen wordt gegeven nadere inlichtingen te ontvangen over het ontwerp van de regeling, zal deze niet worden vastgesteld dan nadat deze inlichtingen zijn verstrekt.
7. Subsidieregelingen die eindigen op of na 1 juli 2014 en subsidieregelingen die geen einddatum kennen bij inwerkingtreding van dit artikel worden voorzien van een vervaldatum die niet later ligt dan 1 juli 2017, tenzij het ontwerp van een subsidieregeling daartoe met overeenkomstige toepassing van het vijfde lid met een langere geldingsduur aan de Tweede Kamer is overgelegd.
2. Een subsidieregeling van het Rijk bevat een tijdstip waarop die regeling vervalt.
Dit tijdstip valt niet later dan het tijdstip waarop na de inwerkingtreding van die regeling vijf jaren zijn verstreken.
3. Een regeling die strekt tot het verstrekken van subsidie onder in belangrijke mate dezelfde criteria voor in belangrijke mate dezelfde activiteiten als een in overeenstemming met het tweede lid vervallen regeling, wordt niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van die regeling met motieven omkleed aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.
4. Een regeling die strekt tot wijziging van het tijdstip waarop een subsidieregeling vervalt, wordt niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van die regeling met motieven omkleed aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.
5. In afwijking van het tweede lid, tweede volzin, kan een subsidieregeling een tijdstip bevatten waarop de regeling vervalt, dat is gelegen later dan vijf jaren, doch niet later dan tien jaren, na de inwerkingtreding van de regeling, indien:
a. uit de toelichting van de regeling blijkt dat het vervallen van de regeling binnen vijf jaren na inwerkingtreding ervan, gelet op de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend, afbreuk doet aan de effectiviteit van die activiteiten, en
b. door Onze betrokken Minister gedurende de looptijd van de regeling een verslag over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de subsidie aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt gezonden.
Een dergelijke regeling wordt niet eerder vastgesteld dan 30 dagen nadat het ontwerp van die regeling met motieven omkleed aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.
6. Indien binnen de in het vijfde lid genoemde termijn van 30 dagen door of namens de Tweede Kamer der Staten-Generaal of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van de Tweede Kamer de wens te kennen wordt gegeven nadere inlichtingen te ontvangen over het ontwerp van de regeling, zal deze niet worden vastgesteld dan nadat deze inlichtingen zijn verstrekt.
7. Subsidieregelingen die eindigen op of na 1 juli 2014 en subsidieregelingen die geen einddatum kennen bij inwerkingtreding van dit artikel worden voorzien van een vervaldatum die niet later ligt dan 1 juli 2017, tenzij het ontwerp van een subsidieregeling daartoe met overeenkomstige toepassing van het vijfde lid met een langere geldingsduur aan de Tweede Kamer is overgelegd.