BWBR0014623
Geldig vanaf 2003-04-01
Artikel 19
Wet op het LSOP en het politieonderwijs
1. Er is een politieonderwijsraad.
2. De politieonderwijsraad bestaat uit dertien leden, onder wie de onafhankelijke voorzitter.
3. De leden van de politieonderwijsraad wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
4. De leden van de politieonderwijsraad worden bij koninklijk besluit benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen.
5. De leden van de politieonderwijsraad worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij kunnen ten hoogste eenmaal worden herbenoemd.
6. In de politieonderwijsraad hebben, naast de voorzitter, als lid zitting:
a. een burgemeester,
b. drie strategisch leidinggevenden van het politiekorps,
c. een lid van het openbaar ministerie,
d. twee vertegenwoordigers vanuit de politievakorganisaties,
e. een vertegenwoordiger van het beroepsonderwijs,
f. een vertegenwoordiger van het hoger onderwijs,
g. twee leden vanuit het LSOP, en
h. een onafhankelijk lid dat deskundig is op het terrein van het beroepsonderwijs.
7. Tevens kunnen zoveel adviserende leden of waarnemers worden benoemd als Onze Minister dienstig oordeelt.
2. De politieonderwijsraad bestaat uit dertien leden, onder wie de onafhankelijke voorzitter.
3. De leden van de politieonderwijsraad wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
4. De leden van de politieonderwijsraad worden bij koninklijk besluit benoemd, herbenoemd, geschorst en ontslagen.
5. De leden van de politieonderwijsraad worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij kunnen ten hoogste eenmaal worden herbenoemd.
6. In de politieonderwijsraad hebben, naast de voorzitter, als lid zitting:
a. een burgemeester,
b. drie strategisch leidinggevenden van het politiekorps,
c. een lid van het openbaar ministerie,
d. twee vertegenwoordigers vanuit de politievakorganisaties,
e. een vertegenwoordiger van het beroepsonderwijs,
f. een vertegenwoordiger van het hoger onderwijs,
g. twee leden vanuit het LSOP, en
h. een onafhankelijk lid dat deskundig is op het terrein van het beroepsonderwijs.
7. Tevens kunnen zoveel adviserende leden of waarnemers worden benoemd als Onze Minister dienstig oordeelt.