1. Het bestuurslid of plaatsvervangend bestuurslid van een bedrijfslichaam dat na zijn benoeming ophoudt te voldoen aan de in
artikel 75 van de wet gestelde eisen, geeft hiervan onverwijld schriftelijk kennis aan de voorzitter van het betrokken bedrijfslichaam.
2. Van een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, alsmede van een kennisgeving betreffende het ontslag of het overlijden van een bestuurslid of plaatsvervangend bestuurslid, doet de voorzitter van het betrokken bedrijfslichaam binnen een week na de ontvangst daarvan schriftelijk mededeling aan de organisatie of organisaties die de betrokkene heeft, onderscheidenlijk hebben benoemd.
3. Indien de in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgeving de voorzitter van een bedrijfslichaam betreft, wordt de desbetreffende mededeling gedaan door de plaatsvervangende of de eerste plaatsvervangende voorzitter van het betrokken lichaam aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
4. Het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de in het eerste lid bedoelde kennisgeving ten onrechte achterwege is gelaten of de ingevolge artikel 3, tweede lid, overgelegd verklaring geheel of gedeeltelijk onjuist is.