BWBR0015527
Geldig vanaf 2003-09-07
Artikel 11
Uitvoeringsregeling E.G.-verordening gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten
1. Het is verboden de in artikel 23, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002genoemde activiteiten te verrichten, tenzij daarvoor toestemming is verleend door de Minister.
2. Het is verboden de in artikel 23, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002genoemde activiteiten te verrichten, tenzij daarvoor toestemming is verleend door de Minister.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde toestemming, alsmede de toestemming, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 5, tweede lid, 8, derde lid, en 12, eerste lid, wordt aangevraagd bij de VWA.
4. Het verbod, gesteld in het eerste lid, geldt tot 1 mei 2004 niet voor het gebruik van dierlijke bijproducten voor diagnose, onderwijs en onderzoek, mits daarvoor op grond van artikel 13, tweede lid, van de Destructiewetvoor de inwerkingtreding van deze regeling een ontheffing is verleend dan wel op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel c, van de Vleeskeuringsweteen aanwijzing is verricht, en de ontheffing, onderscheidenlijk de aanwijzing, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling geldig is en de toegestane activiteiten overeenkomstig de bij de ontheffing, onderscheidenlijk de aanwijzing, gestelde voorschriften worden verricht.
5. Het verbod, gesteld in het tweede lid, geldt tot 1 mei 2004 niet voor het gebruik van het in artikel 23, tweede lid, onderdeel b, onder ii, van verordening (EG) nr. 1774/2002genoemde materiaal voor het voederen aan edelpelsdieren, mits de houder of eigenaar van die dieren:
a. op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling in bezit is van een op dat tijdstip geldige door de Minister, op grond van artikel 13, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Destructiewet, verleende ontheffing;
b. voor zover van toepassing, de eisen van bijlage IX naleeft.
2. Het is verboden de in artikel 23, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002genoemde activiteiten te verrichten, tenzij daarvoor toestemming is verleend door de Minister.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde toestemming, alsmede de toestemming, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 5, tweede lid, 8, derde lid, en 12, eerste lid, wordt aangevraagd bij de VWA.
4. Het verbod, gesteld in het eerste lid, geldt tot 1 mei 2004 niet voor het gebruik van dierlijke bijproducten voor diagnose, onderwijs en onderzoek, mits daarvoor op grond van artikel 13, tweede lid, van de Destructiewetvoor de inwerkingtreding van deze regeling een ontheffing is verleend dan wel op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel c, van de Vleeskeuringsweteen aanwijzing is verricht, en de ontheffing, onderscheidenlijk de aanwijzing, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling geldig is en de toegestane activiteiten overeenkomstig de bij de ontheffing, onderscheidenlijk de aanwijzing, gestelde voorschriften worden verricht.
5. Het verbod, gesteld in het tweede lid, geldt tot 1 mei 2004 niet voor het gebruik van het in artikel 23, tweede lid, onderdeel b, onder ii, van verordening (EG) nr. 1774/2002genoemde materiaal voor het voederen aan edelpelsdieren, mits de houder of eigenaar van die dieren:
a. op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling in bezit is van een op dat tijdstip geldige door de Minister, op grond van artikel 13, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Destructiewet, verleende ontheffing;
b. voor zover van toepassing, de eisen van bijlage IX naleeft.