1. Een beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, stellen beleid vast ter zake van integriteitsgevoelige functies als bedoeld in
artikel 15c, onder b, van het besluit. Het beleid omvat ten minste de kwalificatie van functies die een wezenlijk risico bevatten voor de integere bedrijfsvoering van de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden.
2. De beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, stellen beleid vast ter zake van de beoordeling van de betrouwbaarheid van een personeelslid in een integriteitsgevoelige functie. Het beleid omvat ten minste:
a. de beoordeling van de betrouwbaarheid van een personeelslid dat de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, voornemens is te benoemen;
b. de beoordeling van de betrouwbaarheid van een personeelslid dat reeds in dienst is van de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, en dat de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, voornemens is te benoemen in een integriteitsgevoelige functie.
3. De beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, dragen zorg voor de uitwerking en implementatie van het beleid in organisatorische en administratieve procedures en maatregelen. Deze procedures en maatregelen zijn geïntegreerd in de bedrijfsprocessen en dragen bij aan een integriteitsbewuste bedrijfscultuur.
4. De beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, hanteren organisatorische en administratieve procedures en maatregelen om een functie te kwalificeren als een functie die een wezenlijk risico bevat voor de integere bedrijfsvoering van de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden.
5. De beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, hanteren objectieve, kenbare criteria om een functie te kwalificeren als een functie die een wezenlijk risico bevat voor de integere bedrijfsvoering van de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden. De criteria kunnen betrekking hebben op:
a. de mate waarin het betrokken personeelslid de beschikking of het beheer heeft over vermogen of waarden van de beleggingsinstelling of de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, of van derden;
b. de mate waarin het betrokken personeelslid bevoegd is tot het aangaan van verplichtingen namens de beleggingsinstelling of de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, of al dan niet tezamen met anderen bevoegd is tot vertegenwoordiging van de beleggingsinstelling of de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, in en buiten rechte;
c. de mate waarin het betrokken personeelslid toegang heeft tot deelnemer- of transactiegegevens of tot bedrijfsgevoelige informatie over de instelling of over derden;
d. de mate waarin het betrokken personeelslid belast is met de uitvoering van controlerende of toezichthoudende werkzaamheden ten aanzien van de administratieve organisatie en het systeem van interne controle van de beleggingsinstelling of de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, en de naleving van toepasselijke regelgeving en interne voorschriften.
6. De beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, beschikken over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen om de betrouwbaarheid te beoordelen van een personeelslid dat de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, voornemens is te benoemen in een integriteitsgevoelige functie. De organisatorische en administratieve procedures en maatregelen omvatten ten minste:
a. het controleren van de identiteit van betrokkene;
b. het controleren van de door betrokkene verstrekte gegevens en referenties op juistheid en volledigheid;
c. het maken van een onderbouwde inschatting van de betrouwbaarheid van betrokkene en een beoordeling daarvan in relatie tot de integriteitsgevoelige functie.
7. De in het zesde lid bedoelde organisatorische en administratieve procedures en maatregelen kunnen omvatten:
a. het inwinnen van inlichtingen omtrent de betrouwbaarheid van betrokkene bij de werkgevers van betrokkene gedurende de laatste vijf jaar;
b. het vragen aan betrokkene naar voorvallen uit het verleden die betekenis kunnen hebben voor het oordeel over de betrouwbaarheid van betrokkene;
c. het laten overleggen door betrokkene van een verklaring omtrent het gedrag in de zin van de Wet op de justitiële documentatie.
8. De beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, voert een zodanige administratie dat uit het dossier van een personeelslid dat is benoemd in een integriteitsgevoelige functie blijkt dat is voldaan aan het bepaalde in het zesde lid, onder a, b en c.
9. De beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, zijn verantwoordelijk voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degene die zich anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst jegens de instelling verbindt werkzaamheden in een integriteitsgevoelige functie te verrichten.
10. De beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, kunnen de beoordeling van de betrouwbaarheid overlaten aan de werkgever van de betrokkene als bedoeld in het negende lid onder de voorwaarde dat:
a. de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, de administratieve en organisatorische procedures en maatregelen van de betrokken werkgever kennen en hebben vastgesteld dat deze voldoen aan de eigen administratieve en organisatorische procedures en maatregelen;
b. de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, zich door middel van contractuele voorwaarden het recht voorbehouden dat door of namens de beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, een onderzoek wordt ingesteld naar de mate van naleving van de gedelegeerde werkzaamheden.
11. De beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, controleren onder alle omstandigheden zelf de identiteit van betrokkene als bedoeld in het negende lid.
12. Een beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, waaraan over een betrokkene inlichtingen als bedoeld in het zevende lid, onder a., worden gevraagd ten behoeve van een andere financiële instelling, dienen:
a. schriftelijk te verklaren dat zij geen aanleiding hebben om aan de betrouwbaarheid van betrokkene te twijfelen dan wel, indien daartoe aanleiding bestaat,
b. schriftelijk inlichtingen te verstrekken en wel zodanig dat de verzoekende financiële instelling zich voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de sollicitant een juist en zo volledig mogelijk beeld kan vormen omtrent betrokkene.
13. Onverminderd het bepaalde in het twaalfde lid onthouden een beleggingsinstelling en de bewaarder, indien aan de beleggingsinstelling verbonden, zich van het doen van uitspraken of het afgeven van verklaringen aangaande de betrouwbaarheid van een (voormalig) personeelslid indien zij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daarmee een onjuist beeld van betrokkene wordt gegeven.