BWBR0016637
Geldig vanaf 2014-03-01
Artikel 103
Wet op de jeugdzorg
1. Jeugdigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, ontvingen van een voorziening van jeugdhulpverlening in de zin van de Wet op de jeugdhulpverleninghebben, tot het tijdstip waarop de bevoegde stichting een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, in afwijking van artikel 3, derde lid, aanspraak op jeugdzorg te verlenen door de betrokken voorziening van jeugdhulpverlening.
2. Jeugdigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenaanspraak hadden op jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, behouden deze aanspraak tot de bevoegde stichting een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, of artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostentoepassing heeft gevonden.
3. De bevoegde stichting neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, op het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, is verstreken, doch in ieder geval vóór 1 januari 2006.
2. Jeugdigen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenaanspraak hadden op jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, behouden deze aanspraak tot de bevoegde stichting een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, of artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostentoepassing heeft gevonden.
3. De bevoegde stichting neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, op het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, is verstreken, doch in ieder geval vóór 1 januari 2006.