BWBR0016963
Geldig vanaf 17-10-2004
Artikel 3
Verordening PT erosiebestrijding tuinbouwgronden 2004
1. De ondernemer is verplicht:
a. met betrekking tot elk perceel tuinbouwgrond, dat hij in gebruik heeft en dat zichtbaar is aangetast door meer dan normale bodemerosie, onverwijld hiervan melding te doen aan de voorzitter onder opgave van een zo exact mogelijke plaatsaanduiding met situatieschets;
b. te gedogen dat door de voorzitter aangewezen personen de bij hem in gebruik zijnde tuinbouwgronden aan een onderzoek onderwerpen naar het voorkomen van, dan wel de gevoeligheid voor bodemerosie;
c. door de onder b bedoelde personen gewenste gegevens te verstrekken voor zover deze redelijkerwijs relevant geacht moeten worden voor het onder b bedoelde onderzoek.
d. om aan te geven welke van de in het tweede lid genoemde maatregel het meest geschikt is om de erosie adequaat te bestrijden.
2. Het bestuur is bevoegd om in het belang van de bestrijding van bodemerosie de volgende tuinbouwkundige maatregelen, dan wel combinaties daarvan, voor te schrijven:
a. zorgen voor een langdurige bodembedekking, met name tijdens de kritieke periode;
b. het blijvend omzetten van tuinbouwgrond in grasland en het handhaven van grasland;
c. herinzaai van grasland in het najaar;
d. minimaliseren van grondbewerking;
e. grondbewerking na de oogst;
f. voorkomen en opheffen van spoorvorming;
g. bodemstructuur verbeterende maatregelen;
h. draineren;
i. verbreken van storende lagen;
j. grondbewerking volgens de hoogtelijnen;
k. beperken van de lengte van percelen gerekend loodrecht van de hoogtelijn hellingafwaarts;
l. strokenbouw;
m. begreppeling.
a. met betrekking tot elk perceel tuinbouwgrond, dat hij in gebruik heeft en dat zichtbaar is aangetast door meer dan normale bodemerosie, onverwijld hiervan melding te doen aan de voorzitter onder opgave van een zo exact mogelijke plaatsaanduiding met situatieschets;
b. te gedogen dat door de voorzitter aangewezen personen de bij hem in gebruik zijnde tuinbouwgronden aan een onderzoek onderwerpen naar het voorkomen van, dan wel de gevoeligheid voor bodemerosie;
c. door de onder b bedoelde personen gewenste gegevens te verstrekken voor zover deze redelijkerwijs relevant geacht moeten worden voor het onder b bedoelde onderzoek.
d. om aan te geven welke van de in het tweede lid genoemde maatregel het meest geschikt is om de erosie adequaat te bestrijden.
2. Het bestuur is bevoegd om in het belang van de bestrijding van bodemerosie de volgende tuinbouwkundige maatregelen, dan wel combinaties daarvan, voor te schrijven:
a. zorgen voor een langdurige bodembedekking, met name tijdens de kritieke periode;
b. het blijvend omzetten van tuinbouwgrond in grasland en het handhaven van grasland;
c. herinzaai van grasland in het najaar;
d. minimaliseren van grondbewerking;
e. grondbewerking na de oogst;
f. voorkomen en opheffen van spoorvorming;
g. bodemstructuur verbeterende maatregelen;
h. draineren;
i. verbreken van storende lagen;
j. grondbewerking volgens de hoogtelijnen;
k. beperken van de lengte van percelen gerekend loodrecht van de hoogtelijn hellingafwaarts;
l. strokenbouw;
m. begreppeling.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0016963
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl