BWBR0020657
Geldig vanaf 2021-12-03
Artikel 3.1
Regeling inburgering
1. Het examengeld, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van het besluit, bedraagt:
a. € 50,00 voor elk van de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit;
b. € 50,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderdeel d, van het besluit;
c. € 50,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, onderdeel a, van het besluit;
d. € 40,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, onderdeel b, van het besluit.
2. Voor inburgeringsplichtigen met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedraagt het examengeld voor het examenonderdeel participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, van het besluit, € 150,00.
a. € 50,00 voor elk van de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit;
b. € 50,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderdeel d, van het besluit;
c. € 50,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, onderdeel a, van het besluit;
d. € 40,00 voor het onderdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, onderdeel b, van het besluit.
2. Voor inburgeringsplichtigen met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedraagt het examengeld voor het examenonderdeel participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, van het besluit, € 150,00.