BWBR0022005
Geldig vanaf 31-12-2009
Artikel 12
Uitvoeringsregeling Lange Speelfilm
12.1. Vaststelling van de verleende subsidie vindt plaats op basis van een daartoe door de aanvrager gedane aanvraag.
12.2. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt tezamen met de daartoe noodzakelijke bescheiden gedaan binnen ten hoogste 24 maanden na uitbreng van de lange speelfilm waarvoor subsidie is verleend.
12.3. Indien naar het oordeel van het bestuur geen uitbreng heeft plaatsgevonden of indien de in het tweede lid bedoelde termijn wordt overschreden, is het fonds bevoegd de verleende subsidie ambtshalve vast te stellen.
12.4. De verleende subsidie wordt lager vastgesteld indien uit de bij de aanvraag tot vaststelling verstrekte gegevens blijkt dat het totaal van de verleende financiële bijdragen van andere Nederlandse bestuursorganen, en/of het Fonds, op grond van een andere regeling dan de onderhavige, meer bedraagt dan 50% van de werkelijk gemaakte productiekosten.
12.5. De verleende subsidie wordt lager vastgesteld indien uit de bij de aanvraag tot vaststelling verstrekte gegevens blijkt dat het totaal van de verleende financiële bijdragen van andere Nederlandse bestuursorganen, en/of het Fonds, op grond van een andere regeling dan de onderhavige, meer bedraagt dan 75% dan wel 85% van de werkelijk gemaakte productiekosten, in geval het betreft een lange speelfilm die voldoet aan de criteria zoals bedoeld in artikel 5, derde of vierde lid, van deze regeling.
12.6. Indien uit de bij de aanvraag tot vaststelling verstrekte gegevens blijkt dat de werkelijke filmkosten van de lange speelfilm waarvoor subsidie is verleend, hoger zijn geweest dan de bij de subsidieaanvraag begrote filmkosten, kan geen subsidiebedrag worden vastgesteld dat hoger is dan het verleende subsidiebedrag.
12.7. De verleende subsidie wordt niet lager vastgesteld indien uit de bij de aanvraag tot vaststelling, dan wel de vaststelling van rechtswege, blijkt dat de werkelijke filmkosten niet meer dan 2,5%, met een maximum van € 50.000,–, lager zijn dan de begrote filmkosten.
12.2. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt tezamen met de daartoe noodzakelijke bescheiden gedaan binnen ten hoogste 24 maanden na uitbreng van de lange speelfilm waarvoor subsidie is verleend.
12.3. Indien naar het oordeel van het bestuur geen uitbreng heeft plaatsgevonden of indien de in het tweede lid bedoelde termijn wordt overschreden, is het fonds bevoegd de verleende subsidie ambtshalve vast te stellen.
12.4. De verleende subsidie wordt lager vastgesteld indien uit de bij de aanvraag tot vaststelling verstrekte gegevens blijkt dat het totaal van de verleende financiële bijdragen van andere Nederlandse bestuursorganen, en/of het Fonds, op grond van een andere regeling dan de onderhavige, meer bedraagt dan 50% van de werkelijk gemaakte productiekosten.
12.5. De verleende subsidie wordt lager vastgesteld indien uit de bij de aanvraag tot vaststelling verstrekte gegevens blijkt dat het totaal van de verleende financiële bijdragen van andere Nederlandse bestuursorganen, en/of het Fonds, op grond van een andere regeling dan de onderhavige, meer bedraagt dan 75% dan wel 85% van de werkelijk gemaakte productiekosten, in geval het betreft een lange speelfilm die voldoet aan de criteria zoals bedoeld in artikel 5, derde of vierde lid, van deze regeling.
12.6. Indien uit de bij de aanvraag tot vaststelling verstrekte gegevens blijkt dat de werkelijke filmkosten van de lange speelfilm waarvoor subsidie is verleend, hoger zijn geweest dan de bij de subsidieaanvraag begrote filmkosten, kan geen subsidiebedrag worden vastgesteld dat hoger is dan het verleende subsidiebedrag.
12.7. De verleende subsidie wordt niet lager vastgesteld indien uit de bij de aanvraag tot vaststelling, dan wel de vaststelling van rechtswege, blijkt dat de werkelijke filmkosten niet meer dan 2,5%, met een maximum van € 50.000,–, lager zijn dan de begrote filmkosten.
- Citeren als
- Art. 12
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0022005
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl