1. Indien de ondernemer graan aan leghennen voert dat afkomstig is van eigen teelt of rechtstreeks afkomstig is van een andere teler, bewaart de ondernemer een monster van iedere partij graan. Indien op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in
artikel 4, vijfde lid, van de Verordening een besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimirium is bevestigd bij een koppel leghennen, wordt het bewaarde monster graan onderzocht op de aanwezigheid van de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimirium, overeenkomstig het werkvoorschrift zoals opgenomen in Bijlage III.
2. Indien uit het onderzoek bedoeld in het eerste lid blijkt dat de partij graan besmet is met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimirium, mag de ondernemer deze partij graan niet aan de leghennen voeren.
3. Indien de ondernemer de in het tweede lid bedoelde partij graan zodanig heeft behandeld dat deze partij niet meer met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimiriumis is besmet, en na deze behandeling een tweede onderzoek overeenkomstig het in Bijlage III opgenomen werkvoorschrift bevestigd dat deze partij niet meer met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimiriumis is besmet, mag de ondernemer deze partij aan de leghennen voeren.