BWBR0022479
Geldig vanaf 27-02-2011
Artikel 4
Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007
1. De ondernemer draagt er zorg voor dat een onderzoek van koppels en broedeieren op de aanwezigheid van Salmonella plaatsvindt door middel van monstername en analyse van de genomen monsters.
2. a. In afwijking van het eerste lid laat de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf uitoefent maximaal veertien dagen voor de overplaatsing van een koppel monsters van dit koppel nemen door een bij of krachtens de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 bevoegde veterinair of paraveterinair.
b. De ondernemer die een leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent, voert de in het eerste lid bedoelde monstername ten minste elke 15 weken uit op het leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf. De eerste monstername wordt uitgevoerd als de leghennen een leeftijd van minimaal 22 weken en maximaal 26 weken hebben.
c. De voorzitter laat bij de ondernemer die een leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent, een monstername uitvoeren, in de volgende gevallen: bij één koppel leghennen per jaar per bedrijf dat tenminste duizend dieren omvat,
op de leeftijd van 24 weken bij een koppel leghennen dat gehuisvest is in een gebouw waarin bij een vorig koppel Salmonella is aangetroffen,
bij ieder vermoeden van besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium naar aanleiding van het epidemiologische onderzoek van uitbraken van door voedsel overgedragen zoönoses overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2003/99/EG,
bij andere koppels leghennen op een bedrijf indien de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium op dat bedrijf zijn aangetroffen en
indien de voorzitter het nodig acht.
bij één koppel leghennen per jaar per bedrijf dat tenminste duizend dieren omvat,
op de leeftijd van 24 weken bij een koppel leghennen dat gehuisvest is in een gebouw waarin bij een vorig koppel Salmonella is aangetroffen,
bij ieder vermoeden van besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium naar aanleiding van het epidemiologische onderzoek van uitbraken van door voedsel overgedragen zoönoses overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2003/99/EG,
bij andere koppels leghennen op een bedrijf indien de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium op dat bedrijf zijn aangetroffen en
indien de voorzitter het nodig acht.
d. De in c. genoemde monsternamen kunnen in de plaats treden van de in b. genoemde monsternamen.
e. Indien de voorzitter op grond van artikel 8, derde lid, vaststelt dat een koppel leghennen besmet is met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella Typhimurium, kan de voorzitter op verzoek van de ondernemer besluiten om voor dat koppel ontheffing te verlenen van het bepaalde in onderdeel b.
3. a. De ondernemer die een vleeskuikenbedrijf uitoefent voert de in het eerste lid bedoelde monstername uit bij de levering van een koppel eendagskuikens op het vleeskuikenbedrijf.
b. De ondernemer die een vleeskuikenbedrijf uitoefent voert de in het eerste lid bedoelde monstername uit bij een koppel vleeskuikens vanaf de leeftijd van 21 dagen, voordat dit koppel vleeskuikens van het vleeskuikenbedrijf wordt afgevoerd naar de slachterij.
c. De voorzitter laat bij tien procent van de vleeskuikenbedrijven één maal per twaalf maanden een monstername uitvoeren.
d. De in c. genoemde monstername kan in de plaats treden van de in b. genoemde monstername.
e. De ondernemer die een vleeskuikenbedrijf uitoefent draagt er zorg voor dat twee maal per jaar een onderzoek op de aanwezigheid van Campylobacter bij een koppel plaatsvindt door middel van monstername en analyse van de genomen monsters, voordat het betreffende koppel van het vleeskuikenbedrijf wordt afgevoerd naar de slachterij.
4. a. De ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, voert de in het eerste lid bedoelde monstername eens in de twee weken uit op het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf.
b. In afwijking van het bepaalde onder a. kan de voorzitter besluiten dat de ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, de in het eerste lid bedoelde monstername eens in de drie weken uitvoert indien het aantal met de serotypen Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium, Salmonella hadar, Salmonella infant's of Salmonella virchow besmette koppels fok- en vermeerderingdieren in Nederland gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren niet hoger is geweest dan 1 procent van het totale aantal in productie zijnde koppels fok- en vermeerderingsdieren.
c. De voorzitter laat bij de ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, tijdens een ronde drie maal een monstername uitvoeren. Deze monsternamen vinden plaats 1) binnen vier weken na het plaatsen van een koppel; én 2) binnen acht weken voordat een koppel wordt afgevoerd van het bedrijf; én 3) tijdens een ronde tussen de onder 1) en 2) genoemde tijdstippen.
d. In afwijking van het bepaalde onder b. kan de voorzitter besluiten dat bij de ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, tijdens een ronde twee maal een monstername wordt uitgevoerd indien het aantal met de serotypen Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium, Salmonella hadar, Salmonella infantis of Salmonella virchow besmette koppels fok- en vermeerderingdieren in Nederland gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren niet hoger is geweest dan 1 procent van het totale aantal in productie zijnde koppels fok- en vermeerderingsdieren. Deze monsternamen vinden plaats op twee willekeurige tijdstippen die voldoende ver uit elkaar liggen tijdens de ronde.
e. De onder c. en d. genoemde monsternamen kunnen in de plaats treden van de onder a. en b. genoemde monsternamen.
f. De ondernemer die een opfokbedrijf uitoefent, voert de in het eerste lid bedoelde monstername uit 1) bij de aankomst van de eendagskuikens op het bedrijf; én 2) vier weken na plaatsing van het koppel én 3) maximaal veertien dagen voor overplaatsing van het koppel.
5. a. Wanneer met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de aanwezigheid van Salmonella is aangetoond, meldt de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf, vermeerderingsbedrijf of kuikenbroederij uitoefent dit aan GD en laat de voorzitter een verificatieonderzoek door GD verrichten naar het bemonsterde koppel dan wel naar het koppel waarvan de bemonsterde broedeieren afkomstig zijn.
b. Wanneer met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de aanwezigheid van Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is aangetoond, meldt de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf, leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent dit aan GD en laat de voorzitter een verificatieonderzoek door GD verrichten naar het bemonsterde koppel.
c. Totdat de uitslag van het in onderdeel b. van dit lid bedoelde verificatieonderzoek door GD bekend is, is de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf, leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent, verplicht de consumptie-eieren die van het bemonsterde koppel afkomstig zijn te bewaren dan wel van het bedrijf af te voeren voor vernietiging of verwerking.
6. Wanneer met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de aanwezigheid van Salmonella is aangetoond, laat de ondernemer het genomen monster serotyperen door een erkend laboratorium.
7. In afwijking van het zesde lid laat de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf, leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent een genomen monster uitsluitend serotyperen op Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium door een erkend laboratorium.
8. De analyse van de in het eerste, tweede, derde en vierde lid bedoelde monsters wordt uitgevoerd door een erkend laboratorium.
9. De ondernemer bewaart de resultaten van de in het eerste, tweede, derde en vierde lid bedoelde analyse gedurende ten minste twee jaren.
10. Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van de wijze waarop, de frequentie waarmee en de periode waarin de monstername en analyse van de genomen monsters plaatsvinden alsmede ten aanzien van het verificatieonderzoek.
11. De voorzitter is belast met de erkenning van laboratoria.
12. Het bestuur stelt bij besluit nadere regels met betrekking tot de erkenningsvoorwaarden van laboratoria.
2. a. In afwijking van het eerste lid laat de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf uitoefent maximaal veertien dagen voor de overplaatsing van een koppel monsters van dit koppel nemen door een bij of krachtens de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 bevoegde veterinair of paraveterinair.
b. De ondernemer die een leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent, voert de in het eerste lid bedoelde monstername ten minste elke 15 weken uit op het leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf. De eerste monstername wordt uitgevoerd als de leghennen een leeftijd van minimaal 22 weken en maximaal 26 weken hebben.
c. De voorzitter laat bij de ondernemer die een leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent, een monstername uitvoeren, in de volgende gevallen: bij één koppel leghennen per jaar per bedrijf dat tenminste duizend dieren omvat,
op de leeftijd van 24 weken bij een koppel leghennen dat gehuisvest is in een gebouw waarin bij een vorig koppel Salmonella is aangetroffen,
bij ieder vermoeden van besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium naar aanleiding van het epidemiologische onderzoek van uitbraken van door voedsel overgedragen zoönoses overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2003/99/EG,
bij andere koppels leghennen op een bedrijf indien de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium op dat bedrijf zijn aangetroffen en
indien de voorzitter het nodig acht.
bij één koppel leghennen per jaar per bedrijf dat tenminste duizend dieren omvat,
op de leeftijd van 24 weken bij een koppel leghennen dat gehuisvest is in een gebouw waarin bij een vorig koppel Salmonella is aangetroffen,
bij ieder vermoeden van besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium naar aanleiding van het epidemiologische onderzoek van uitbraken van door voedsel overgedragen zoönoses overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2003/99/EG,
bij andere koppels leghennen op een bedrijf indien de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium op dat bedrijf zijn aangetroffen en
indien de voorzitter het nodig acht.
d. De in c. genoemde monsternamen kunnen in de plaats treden van de in b. genoemde monsternamen.
e. Indien de voorzitter op grond van artikel 8, derde lid, vaststelt dat een koppel leghennen besmet is met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella Typhimurium, kan de voorzitter op verzoek van de ondernemer besluiten om voor dat koppel ontheffing te verlenen van het bepaalde in onderdeel b.
3. a. De ondernemer die een vleeskuikenbedrijf uitoefent voert de in het eerste lid bedoelde monstername uit bij de levering van een koppel eendagskuikens op het vleeskuikenbedrijf.
b. De ondernemer die een vleeskuikenbedrijf uitoefent voert de in het eerste lid bedoelde monstername uit bij een koppel vleeskuikens vanaf de leeftijd van 21 dagen, voordat dit koppel vleeskuikens van het vleeskuikenbedrijf wordt afgevoerd naar de slachterij.
c. De voorzitter laat bij tien procent van de vleeskuikenbedrijven één maal per twaalf maanden een monstername uitvoeren.
d. De in c. genoemde monstername kan in de plaats treden van de in b. genoemde monstername.
e. De ondernemer die een vleeskuikenbedrijf uitoefent draagt er zorg voor dat twee maal per jaar een onderzoek op de aanwezigheid van Campylobacter bij een koppel plaatsvindt door middel van monstername en analyse van de genomen monsters, voordat het betreffende koppel van het vleeskuikenbedrijf wordt afgevoerd naar de slachterij.
4. a. De ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, voert de in het eerste lid bedoelde monstername eens in de twee weken uit op het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf.
b. In afwijking van het bepaalde onder a. kan de voorzitter besluiten dat de ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, de in het eerste lid bedoelde monstername eens in de drie weken uitvoert indien het aantal met de serotypen Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium, Salmonella hadar, Salmonella infant's of Salmonella virchow besmette koppels fok- en vermeerderingdieren in Nederland gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren niet hoger is geweest dan 1 procent van het totale aantal in productie zijnde koppels fok- en vermeerderingsdieren.
c. De voorzitter laat bij de ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, tijdens een ronde drie maal een monstername uitvoeren. Deze monsternamen vinden plaats 1) binnen vier weken na het plaatsen van een koppel; én 2) binnen acht weken voordat een koppel wordt afgevoerd van het bedrijf; én 3) tijdens een ronde tussen de onder 1) en 2) genoemde tijdstippen.
d. In afwijking van het bepaalde onder b. kan de voorzitter besluiten dat bij de ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, tijdens een ronde twee maal een monstername wordt uitgevoerd indien het aantal met de serotypen Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium, Salmonella hadar, Salmonella infantis of Salmonella virchow besmette koppels fok- en vermeerderingdieren in Nederland gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren niet hoger is geweest dan 1 procent van het totale aantal in productie zijnde koppels fok- en vermeerderingsdieren. Deze monsternamen vinden plaats op twee willekeurige tijdstippen die voldoende ver uit elkaar liggen tijdens de ronde.
e. De onder c. en d. genoemde monsternamen kunnen in de plaats treden van de onder a. en b. genoemde monsternamen.
f. De ondernemer die een opfokbedrijf uitoefent, voert de in het eerste lid bedoelde monstername uit 1) bij de aankomst van de eendagskuikens op het bedrijf; én 2) vier weken na plaatsing van het koppel én 3) maximaal veertien dagen voor overplaatsing van het koppel.
5. a. Wanneer met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de aanwezigheid van Salmonella is aangetoond, meldt de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf, vermeerderingsbedrijf of kuikenbroederij uitoefent dit aan GD en laat de voorzitter een verificatieonderzoek door GD verrichten naar het bemonsterde koppel dan wel naar het koppel waarvan de bemonsterde broedeieren afkomstig zijn.
b. Wanneer met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de aanwezigheid van Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is aangetoond, meldt de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf, leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent dit aan GD en laat de voorzitter een verificatieonderzoek door GD verrichten naar het bemonsterde koppel.
c. Totdat de uitslag van het in onderdeel b. van dit lid bedoelde verificatieonderzoek door GD bekend is, is de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf, leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent, verplicht de consumptie-eieren die van het bemonsterde koppel afkomstig zijn te bewaren dan wel van het bedrijf af te voeren voor vernietiging of verwerking.
6. Wanneer met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de aanwezigheid van Salmonella is aangetoond, laat de ondernemer het genomen monster serotyperen door een erkend laboratorium.
7. In afwijking van het zesde lid laat de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf, leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent een genomen monster uitsluitend serotyperen op Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium door een erkend laboratorium.
8. De analyse van de in het eerste, tweede, derde en vierde lid bedoelde monsters wordt uitgevoerd door een erkend laboratorium.
9. De ondernemer bewaart de resultaten van de in het eerste, tweede, derde en vierde lid bedoelde analyse gedurende ten minste twee jaren.
10. Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast ten aanzien van de wijze waarop, de frequentie waarmee en de periode waarin de monstername en analyse van de genomen monsters plaatsvinden alsmede ten aanzien van het verificatieonderzoek.
11. De voorzitter is belast met de erkenning van laboratoria.
12. Het bestuur stelt bij besluit nadere regels met betrekking tot de erkenningsvoorwaarden van laboratoria.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0022479
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl