BWBR0022479
Geldig vanaf 27-02-2011
Artikel 6
Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007
1. De ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, handelt in overeenstemming met het in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1177/2006 neergelegde verbod op het gebruik van antimicrobiële stoffen.
2. De voorzitter stelt op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, een besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium, Salmonella hadar, Salmonella infantis en Salmonella virchow vast bij een koppel dat zich op een opfokbedrijf, fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf bevindt.
3. a. In geval de voorzitter de in het tweede lid bedoelde besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium vaststelt bij een koppel, gelast de voorzitter de ondernemer het besmette koppel te laten ruimen en de broedeieren van dit koppel te laten verwerken of vernietigen.
b. In geval de voorzitter de in het tweede lid bedoelde besmetting met de serotypen Salmonella hadar, Salmonella infantis of Salmonella virchow vaststelt bij een koppel, kan de voorzitter de ondernemer gelasten het besmette koppel te laten ruimen en de broedeieren van dit koppel te laten verwerken of vernietigen.
4. De ondernemer is gehouden de in het derde lid genoemde aan hem verstrekte last onverwijld op te volgen.
5. Indien op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, een besmetting met Salmonella bij een koppel is bevestigd, reinigt en ontsmet de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent onverwijld de stal na het laten ruimen van het koppel dan wel na het afvoeren van het koppel uit de stal.
6. Na het reinigen en ontsmetten als bedoeld in het vijfde lid laat de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent de stal op de aanwezigheid van Salmonella onderzoeken door een erkende HOSOWO-instantie.
7. Indien met het onderzoek als bedoeld in het zesde lid, Salmonella in de stal is aangetoond, herhaalt de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent het bepaalde in het vijfde lid totdat geen Salmonella meer in de stal wordt aangetoond.
8. Indien met het onderzoek als bedoeld in het zesde lid, Salmonella in de stal is aangetoond, herhaalt de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent het bepaalde in het zesde lid totdat geen Salmonella meer in de stal wordt aangetoond.
9. Slechts indien op grond van het in het zesde lid bedoelde onderzoek geen Salmonella in de stal meer wordt aangetoond, mag de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, een nieuw koppel in de stal plaatsen.
10. Indien op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, bij de ondernemer die een opfokbedrijf, fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, een besmetting met Salmonella bij een koppel is bevestigd, stelt de ondernemer, voordat hij een nieuw koppel plaatst, overeenkomstig een door het bestuur vastgesteld besluit, een tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan op en voert dit uit.
11. Het bestuur kan bij besluit nadere regels vaststellen ten aanzien van de onderzoeken, het ruimen, het reinigen en ontsmetten en het verwerken of vernietigen van de broedeieren, als bedoeld in dit artikel.
2. De voorzitter stelt op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, een besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium, Salmonella hadar, Salmonella infantis en Salmonella virchow vast bij een koppel dat zich op een opfokbedrijf, fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf bevindt.
3. a. In geval de voorzitter de in het tweede lid bedoelde besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium vaststelt bij een koppel, gelast de voorzitter de ondernemer het besmette koppel te laten ruimen en de broedeieren van dit koppel te laten verwerken of vernietigen.
b. In geval de voorzitter de in het tweede lid bedoelde besmetting met de serotypen Salmonella hadar, Salmonella infantis of Salmonella virchow vaststelt bij een koppel, kan de voorzitter de ondernemer gelasten het besmette koppel te laten ruimen en de broedeieren van dit koppel te laten verwerken of vernietigen.
4. De ondernemer is gehouden de in het derde lid genoemde aan hem verstrekte last onverwijld op te volgen.
5. Indien op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, een besmetting met Salmonella bij een koppel is bevestigd, reinigt en ontsmet de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent onverwijld de stal na het laten ruimen van het koppel dan wel na het afvoeren van het koppel uit de stal.
6. Na het reinigen en ontsmetten als bedoeld in het vijfde lid laat de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent de stal op de aanwezigheid van Salmonella onderzoeken door een erkende HOSOWO-instantie.
7. Indien met het onderzoek als bedoeld in het zesde lid, Salmonella in de stal is aangetoond, herhaalt de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent het bepaalde in het vijfde lid totdat geen Salmonella meer in de stal wordt aangetoond.
8. Indien met het onderzoek als bedoeld in het zesde lid, Salmonella in de stal is aangetoond, herhaalt de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent het bepaalde in het zesde lid totdat geen Salmonella meer in de stal wordt aangetoond.
9. Slechts indien op grond van het in het zesde lid bedoelde onderzoek geen Salmonella in de stal meer wordt aangetoond, mag de ondernemer die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, een nieuw koppel in de stal plaatsen.
10. Indien op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, bij de ondernemer die een opfokbedrijf, fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, een besmetting met Salmonella bij een koppel is bevestigd, stelt de ondernemer, voordat hij een nieuw koppel plaatst, overeenkomstig een door het bestuur vastgesteld besluit, een tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan op en voert dit uit.
11. Het bestuur kan bij besluit nadere regels vaststellen ten aanzien van de onderzoeken, het ruimen, het reinigen en ontsmetten en het verwerken of vernietigen van de broedeieren, als bedoeld in dit artikel.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0022479
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl