BWBR0025028
Geldig vanaf 2020-09-30
Artikel 2.132
Mediawet 2008
1. De NPO en de publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten.
2. Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke mediaopdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136.
3. Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.
4. In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan:
a. mediabedrijven ten behoeve van de versterking en verbetering van de nieuws- en informatievoorziening; of
b. culturele instellingen.
5. De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:
a. de wijze van melden;
b. de omvang en duur van het experiment;
c. de aard en inhoud van de nevenactiviteiten; en
d. de samenwerking met de in het vierde lid, onderdelen a en b, bedoelde instellingen.
2. Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke mediaopdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136.
3. Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.
4. In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan:
a. mediabedrijven ten behoeve van de versterking en verbetering van de nieuws- en informatievoorziening; of
b. culturele instellingen.
5. De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:
a. de wijze van melden;
b. de omvang en duur van het experiment;
c. de aard en inhoud van de nevenactiviteiten; en
d. de samenwerking met de in het vierde lid, onderdelen a en b, bedoelde instellingen.