BWBR0025401
Geldig vanaf 17-01-2009
Artikel 4
Zuivelverordening 2008, Gewichtsbepaling bij gebruik van rijdende melkontvangsten met vloeistofmeetinstallatie
1. De vloeistofmeetinstallatie is voorzien van:
a. Een typegoedkeuring overeenkomstig het bepaalde in de Metrologiewet (alleen voor na september 2008 in de handel gebrachte en/of in gebruik genomen vloeistofmeetinstallaties).
b. Een melkmeter: de meter registreert zowel de hoeveelheid melk van elke melkveehouder afzonderlijk, als de totale hoeveelheid melk welke per rit wordt ontvangen en is voorzien van de wettelijke kenmerken en waarvan de justeerinrichting door het Nederlands Meetinstituut of een andere daartoe bevoegde instantie is verzegeld. De melkmeter is voorzien van een aanwijsinrichting, waarvan de afleeseenheid < 1 liter is.
c. Een luchtafscheider met op doelmatige wijze aangebracht kijkglas of niveau-aanwijzer en met een op een duidelijk zichtbare plaats aangebrachte opschriftenplaat, waarop de volgende gegevens zijn vermeld: De inhoudsvariaties per cm niveauverschil over het gebied van ten minste plus en minus 5 cm ten opzichte van het gemiddelde rustniveau.
Het kijkglas of de niveau-aanwijzer is op zodanige wijze aangebracht, dat het rustniveau kan worden vastgesteld. Het rustniveau bevindt zich altijd in een door 2 streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste 7 liter bedraagt. De afstand tussen de twee streepjes bedraagt ten minste 15 mm. De luchtafvoerleiding van de luchtafscheider mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Indien dit niet het geval is, is in deze leiding een beveiligingsinrichting opgenomen, die de melkpomp uitschakelt indien tijdens normaal bedrijf melk door deze leiding stroomt.
De inhoudsvariaties per cm niveauverschil over het gebied van ten minste plus en minus 5 cm ten opzichte van het gemiddelde rustniveau.
Het kijkglas of de niveau-aanwijzer is op zodanige wijze aangebracht, dat het rustniveau kan worden vastgesteld. Het rustniveau bevindt zich altijd in een door 2 streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste 7 liter bedraagt. De afstand tussen de twee streepjes bedraagt ten minste 15 mm. De luchtafvoerleiding van de luchtafscheider mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Indien dit niet het geval is, is in deze leiding een beveiligingsinrichting opgenomen, die de melkpomp uitschakelt indien tijdens normaal bedrijf melk door deze leiding stroomt.
d. De melkpomp met de bijbehorende aandrijving, welke - voor zover niet aangedreven door een elektromotor met constant toerental - door een verzegelbaar stroomregelventiel in het hydraulische systeem van de melkpomp, zodanig moet zijn geborgd, dat de maximaal toelaatbare volumestroom niet kan worden overschreden (zie artikel 3, lid 3, onder d). Indien gebruik wordt gemaakt van dataregistratie-apparatuur behoeft een stroomregelventiel zoals hierboven bedoeld, niet te zijn aangebracht, indien ten behoeve van de melkveehouder en de zuivelfabriek een duidelijke schriftelijke signalering plaatsvindt van een grotere dan de maximale volumestroom; dat wil zeggen bij overschrijding van het daarbij behorende aantal afgegeven pulsen per tijdseenheid gedurende meer dan 15 seconden.
2. De melkmeter vertoont bij het vaststellen van het aantal liters zonder luchtafscheider geen grotere fout dan plus of minus 0,3%.
3. De complete vloeistofmeetinstallatie veroorzaakt bij het vaststellen van het aantal liters melk geen grotere gemiddelde afwijking dan plus of min 0,75%.
4. De vloeistofmeetinstallatie is zodanig uitgevoerd, dat voor de desbetreffende onderdelen in elk geval de volgende voorzieningen zijn aangebracht:
A. Melkpomp Deze is: a. Voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2”) gemaakt, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen. Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 4, lid 1, onder d).
b. Zo nodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd. Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een automatisch geregeld lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar. De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
a. Voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2”) gemaakt, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen. Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 4, lid 1, onder d).
b. Zo nodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd. Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een automatisch geregeld lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar. De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
B. Luchtafscheider Deze is zo aangesloten op het leidingwerk, dat ze op eenvoudige wijze kan worden vervangen door een kortsluitleiding ten behoeve van de controle van de melkmeter. Hiertoe kunnen de toe- en afvoerleiding worden losgenomen en omgezwaaid.
C. Melkmeter Wanneer de afleesbaarheid > 0,1 liter is, zijn zodanige voorzieningen aanwezig dat tijdens controle afgelezen kan worden op 0,1 liter.
a. Een typegoedkeuring overeenkomstig het bepaalde in de Metrologiewet (alleen voor na september 2008 in de handel gebrachte en/of in gebruik genomen vloeistofmeetinstallaties).
b. Een melkmeter: de meter registreert zowel de hoeveelheid melk van elke melkveehouder afzonderlijk, als de totale hoeveelheid melk welke per rit wordt ontvangen en is voorzien van de wettelijke kenmerken en waarvan de justeerinrichting door het Nederlands Meetinstituut of een andere daartoe bevoegde instantie is verzegeld. De melkmeter is voorzien van een aanwijsinrichting, waarvan de afleeseenheid < 1 liter is.
c. Een luchtafscheider met op doelmatige wijze aangebracht kijkglas of niveau-aanwijzer en met een op een duidelijk zichtbare plaats aangebrachte opschriftenplaat, waarop de volgende gegevens zijn vermeld: De inhoudsvariaties per cm niveauverschil over het gebied van ten minste plus en minus 5 cm ten opzichte van het gemiddelde rustniveau.
Het kijkglas of de niveau-aanwijzer is op zodanige wijze aangebracht, dat het rustniveau kan worden vastgesteld. Het rustniveau bevindt zich altijd in een door 2 streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste 7 liter bedraagt. De afstand tussen de twee streepjes bedraagt ten minste 15 mm. De luchtafvoerleiding van de luchtafscheider mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Indien dit niet het geval is, is in deze leiding een beveiligingsinrichting opgenomen, die de melkpomp uitschakelt indien tijdens normaal bedrijf melk door deze leiding stroomt.
De inhoudsvariaties per cm niveauverschil over het gebied van ten minste plus en minus 5 cm ten opzichte van het gemiddelde rustniveau.
Het kijkglas of de niveau-aanwijzer is op zodanige wijze aangebracht, dat het rustniveau kan worden vastgesteld. Het rustniveau bevindt zich altijd in een door 2 streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste 7 liter bedraagt. De afstand tussen de twee streepjes bedraagt ten minste 15 mm. De luchtafvoerleiding van de luchtafscheider mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Indien dit niet het geval is, is in deze leiding een beveiligingsinrichting opgenomen, die de melkpomp uitschakelt indien tijdens normaal bedrijf melk door deze leiding stroomt.
d. De melkpomp met de bijbehorende aandrijving, welke - voor zover niet aangedreven door een elektromotor met constant toerental - door een verzegelbaar stroomregelventiel in het hydraulische systeem van de melkpomp, zodanig moet zijn geborgd, dat de maximaal toelaatbare volumestroom niet kan worden overschreden (zie artikel 3, lid 3, onder d). Indien gebruik wordt gemaakt van dataregistratie-apparatuur behoeft een stroomregelventiel zoals hierboven bedoeld, niet te zijn aangebracht, indien ten behoeve van de melkveehouder en de zuivelfabriek een duidelijke schriftelijke signalering plaatsvindt van een grotere dan de maximale volumestroom; dat wil zeggen bij overschrijding van het daarbij behorende aantal afgegeven pulsen per tijdseenheid gedurende meer dan 15 seconden.
2. De melkmeter vertoont bij het vaststellen van het aantal liters zonder luchtafscheider geen grotere fout dan plus of minus 0,3%.
3. De complete vloeistofmeetinstallatie veroorzaakt bij het vaststellen van het aantal liters melk geen grotere gemiddelde afwijking dan plus of min 0,75%.
4. De vloeistofmeetinstallatie is zodanig uitgevoerd, dat voor de desbetreffende onderdelen in elk geval de volgende voorzieningen zijn aangebracht:
A. Melkpomp Deze is: a. Voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2”) gemaakt, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen. Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 4, lid 1, onder d).
b. Zo nodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd. Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een automatisch geregeld lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar. De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
a. Voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2”) gemaakt, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen. Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 4, lid 1, onder d).
b. Zo nodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd. Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een automatisch geregeld lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar. De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
B. Luchtafscheider Deze is zo aangesloten op het leidingwerk, dat ze op eenvoudige wijze kan worden vervangen door een kortsluitleiding ten behoeve van de controle van de melkmeter. Hiertoe kunnen de toe- en afvoerleiding worden losgenomen en omgezwaaid.
C. Melkmeter Wanneer de afleesbaarheid > 0,1 liter is, zijn zodanige voorzieningen aanwezig dat tijdens controle afgelezen kan worden op 0,1 liter.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0025401
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl