BWBR0026045
Geldig vanaf 2009-07-01
Artikel 2.09
Patentreglement Rijn
1. De vereiste vaartijd en de reizen op bepaalde riviergedeelten van de Rijn moeten worden aangetoond aan de hand van een behoorlijk ingevuld en gewaarmerkt dienstboekje, als bedoeld in de bijlage F van het Reglement onderzoek schepen op de Rijnof aan de hand van een door de CCR voor de Rijn als gelijkwaardig erkend dienstboekje. Het dienstboekje moet door de bevoegde autoriteit in ten minste één van de CCR voertalen zijn afgegeven.
2. Voor zover een dienstboekje ingevolge nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België voor de vaarwegen buiten de Rijn niet is voorgeschreven, kan de vaartijd ook worden aangetoond door een geldig ambtelijk document, dat tenminste de volgende gegevens bevat:
a. soort, grootte, aantal passagiers, naam en vermogen van de schepen, waarop de aanvrager heeft gevaren;
b. de naam van de schipper;
c. het tijdstip van het begin en het einde van de reizen;
d. de uitgeoefende functie;
e. de bevaren riviergedeelten (precieze aanduiding met plaatsen van vertrek en aankomst).
Voor het overheidspatent worden de voorgeschreven reizen en vaartijden aan de hand van een certificaat aangetoond, dat door de dienst waarvan de aanvrager deel uitmaakt wordt opgesteld.
3. De vaartijd kan eveneens worden aangetoond met een bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, tot de omvang die voor het verkrijgen van dit bewijs reeds is aangetoond.
4. De vaartijd op zee moet worden aangetoond door middel van een monsterboekje.
5. De tijd doorgebracht op een vakschool voor schippers moet worden aangetoond door een getuigschrift van die school.
6. Voor zover noodzakelijk, moeten de documenten, als bedoeld in het tweede tot en met het vijfde lid, vergezeld van een officiële vertaling in de Duitse, Franse of Nederlandse taal worden overgelegd.
2. Voor zover een dienstboekje ingevolge nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België voor de vaarwegen buiten de Rijn niet is voorgeschreven, kan de vaartijd ook worden aangetoond door een geldig ambtelijk document, dat tenminste de volgende gegevens bevat:
a. soort, grootte, aantal passagiers, naam en vermogen van de schepen, waarop de aanvrager heeft gevaren;
b. de naam van de schipper;
c. het tijdstip van het begin en het einde van de reizen;
d. de uitgeoefende functie;
e. de bevaren riviergedeelten (precieze aanduiding met plaatsen van vertrek en aankomst).
Voor het overheidspatent worden de voorgeschreven reizen en vaartijden aan de hand van een certificaat aangetoond, dat door de dienst waarvan de aanvrager deel uitmaakt wordt opgesteld.
3. De vaartijd kan eveneens worden aangetoond met een bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, tot de omvang die voor het verkrijgen van dit bewijs reeds is aangetoond.
4. De vaartijd op zee moet worden aangetoond door middel van een monsterboekje.
5. De tijd doorgebracht op een vakschool voor schippers moet worden aangetoond door een getuigschrift van die school.
6. Voor zover noodzakelijk, moeten de documenten, als bedoeld in het tweede tot en met het vijfde lid, vergezeld van een officiële vertaling in de Duitse, Franse of Nederlandse taal worden overgelegd.