BWBR0028194
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 4
Wet elektriciteitsconcessies BES
1. De vergunning vervalt door verloop van de termijn, voor welke zij is verleend, tenzij tijdig een verzoek is ingediend om verlenging van die termijn en bij het verstrijken daarvan nog geen beschikking op dat verzoek mocht zijn ontvangen.
2. De vergunning wordt:
a. als vervallen beschouwd, wanneer zij niet binnen de, bij het eerste lid van artikel 2 bepaalde termijn, op de wijze als daarbij bepaald, is aanvaard.
b. ingetrokken: 1e. op verzoek van de ondernemer;
2e. wanneer niet binnen zes maanden na de aanvaarding, ter beoordeling van het bestuurscollege, een ernstig begin met de aanleg is gemaakt;
3e. wanneer de inrichtingen of leidingen niet op het door het bestuurscollege bij de vergunning bepaalde tijdstip in gebruik zijn gesteld;
4e. wanneer, in het bij het vijfde lid van artikel 2 bedoelde geval, het waarborgkapitaal niet binnen de bij het laatste lid van dat artikel gestelde termijn weder tot het volle oorspronkelijke bedrag is aangevuld;
5e. wanneer een of meer voorwaarden van de vergunning, naar het oordeel van het bestuurscollege, niet of niet voldoende worden nageleefd;
6e. bij niet dadelijke opvolging van de last tot buitengebruikstelling van de geleidingen, in de gevallen, bedoeld bij artikel 10;
7e. wanneer de exploitatie van de onderneming geheel of gedeeltelijk wordt gestaakt en niet binnen een door het bestuurscollege te stellen termijn wordt hervat.
1e. op verzoek van de ondernemer;
2e. wanneer niet binnen zes maanden na de aanvaarding, ter beoordeling van het bestuurscollege, een ernstig begin met de aanleg is gemaakt;
3e. wanneer de inrichtingen of leidingen niet op het door het bestuurscollege bij de vergunning bepaalde tijdstip in gebruik zijn gesteld;
4e. wanneer, in het bij het vijfde lid van artikel 2 bedoelde geval, het waarborgkapitaal niet binnen de bij het laatste lid van dat artikel gestelde termijn weder tot het volle oorspronkelijke bedrag is aangevuld;
5e. wanneer een of meer voorwaarden van de vergunning, naar het oordeel van het bestuurscollege, niet of niet voldoende worden nageleefd;
6e. bij niet dadelijke opvolging van de last tot buitengebruikstelling van de geleidingen, in de gevallen, bedoeld bij artikel 10;
7e. wanneer de exploitatie van de onderneming geheel of gedeeltelijk wordt gestaakt en niet binnen een door het bestuurscollege te stellen termijn wordt hervat.
3. De in het voorgaande lid van dit artikel bedoelde termijnen kunnen, op verzoek van de ondernemer, door het bestuurscollege verlengd worden.
4. Het intrekken van de vergunning geschiedt bij een met redenen omkleed eilandsbesluit van het bestuurscollege van het betrokken openbaar lichaam.
5. Bij het vervallen of bij de intrekking van de vergunning nadat met de aanleg of met het gebruik van de inrichting of geleidingen reeds een begin is gemaakt, wordt door het bestuurscollege een termijn gesteld, binnen welke de ondernemer de leidingen of inrichtingen, welke zich op of over openbare wegen of wateren bevinden, weg moet ruimen en die wegen enz. weder behoorlijk in oorspronkelijke staat moet brengen.
6. Bij gehele of gedeeltelijke nalatigheid om aan de in het vorige lid bedoelde verplichtingen te voldoen, wordt hetgeen te doen blijft, voor rekening van de ondernemervanwege het bestuurscollege verricht.
7. Voor zover het waarborgkapitaal niet tot verhaal van kosten behoeft te worden aangesproken, wordt het na het vervallen of de intrekking van de vergunning aan de ondernemer terug gegeven.
2. De vergunning wordt:
a. als vervallen beschouwd, wanneer zij niet binnen de, bij het eerste lid van artikel 2 bepaalde termijn, op de wijze als daarbij bepaald, is aanvaard.
b. ingetrokken: 1e. op verzoek van de ondernemer;
2e. wanneer niet binnen zes maanden na de aanvaarding, ter beoordeling van het bestuurscollege, een ernstig begin met de aanleg is gemaakt;
3e. wanneer de inrichtingen of leidingen niet op het door het bestuurscollege bij de vergunning bepaalde tijdstip in gebruik zijn gesteld;
4e. wanneer, in het bij het vijfde lid van artikel 2 bedoelde geval, het waarborgkapitaal niet binnen de bij het laatste lid van dat artikel gestelde termijn weder tot het volle oorspronkelijke bedrag is aangevuld;
5e. wanneer een of meer voorwaarden van de vergunning, naar het oordeel van het bestuurscollege, niet of niet voldoende worden nageleefd;
6e. bij niet dadelijke opvolging van de last tot buitengebruikstelling van de geleidingen, in de gevallen, bedoeld bij artikel 10;
7e. wanneer de exploitatie van de onderneming geheel of gedeeltelijk wordt gestaakt en niet binnen een door het bestuurscollege te stellen termijn wordt hervat.
1e. op verzoek van de ondernemer;
2e. wanneer niet binnen zes maanden na de aanvaarding, ter beoordeling van het bestuurscollege, een ernstig begin met de aanleg is gemaakt;
3e. wanneer de inrichtingen of leidingen niet op het door het bestuurscollege bij de vergunning bepaalde tijdstip in gebruik zijn gesteld;
4e. wanneer, in het bij het vijfde lid van artikel 2 bedoelde geval, het waarborgkapitaal niet binnen de bij het laatste lid van dat artikel gestelde termijn weder tot het volle oorspronkelijke bedrag is aangevuld;
5e. wanneer een of meer voorwaarden van de vergunning, naar het oordeel van het bestuurscollege, niet of niet voldoende worden nageleefd;
6e. bij niet dadelijke opvolging van de last tot buitengebruikstelling van de geleidingen, in de gevallen, bedoeld bij artikel 10;
7e. wanneer de exploitatie van de onderneming geheel of gedeeltelijk wordt gestaakt en niet binnen een door het bestuurscollege te stellen termijn wordt hervat.
3. De in het voorgaande lid van dit artikel bedoelde termijnen kunnen, op verzoek van de ondernemer, door het bestuurscollege verlengd worden.
4. Het intrekken van de vergunning geschiedt bij een met redenen omkleed eilandsbesluit van het bestuurscollege van het betrokken openbaar lichaam.
5. Bij het vervallen of bij de intrekking van de vergunning nadat met de aanleg of met het gebruik van de inrichting of geleidingen reeds een begin is gemaakt, wordt door het bestuurscollege een termijn gesteld, binnen welke de ondernemer de leidingen of inrichtingen, welke zich op of over openbare wegen of wateren bevinden, weg moet ruimen en die wegen enz. weder behoorlijk in oorspronkelijke staat moet brengen.
6. Bij gehele of gedeeltelijke nalatigheid om aan de in het vorige lid bedoelde verplichtingen te voldoen, wordt hetgeen te doen blijft, voor rekening van de ondernemervanwege het bestuurscollege verricht.
7. Voor zover het waarborgkapitaal niet tot verhaal van kosten behoeft te worden aangesproken, wordt het na het vervallen of de intrekking van de vergunning aan de ondernemer terug gegeven.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028194
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl