BWBR0028377
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 10
Arbeidsbesluit jeugdigen BES
1. Een jeugdige mag geen arbeid verrichten aan of in de nabijheid van machines of werktuigen welke gevaarlijk zijn vanwege hun bewegende delen, tenzij er een doeltreffende beveiliging is aangebracht, waarvan de werking geheel onafhankelijk is van degene die de machine of het werktuig bedient.
2. Een jeugdige mag geen arbeid verrichten aan of met machines of werktuigen, hieronder omschreven, waarvan de werking, ook indien de vereiste beveiliging daarop aanwezig is, bijzonder gevaar oplevert:
a. mechanisch aangedreven afkantbanken, kantbanken en zetbanken;
b. betonmolens met mechanische ophaalbak, machines voor het leidingtransport van species op mortels alsmede de menginstallaties zelve, betonspreid- en betonafwerkmachines;
c. buig- en knipmachines voor betonijzer;
d. cirkelzaagmachines;
e. freesmachines, met uitzondering van de metaalfreesmachines;
f. gecombineerde houtbewerkingsmachines, die een cirkelzaag of frees bevatten;
g. handdoorslijpmachines;
h. kalanders;
i. motorisch aangedreven en voortbewogen grondbewerkingmachines, voor zover deze lopend worden bestuurd of bediend;
j. walsen welke gebruikt worden ten behoeve van grondwerken en wegen, welke in aanleg, verbouwing, herstelling of sloping zijn, of voor zover daaraan onderhoudswerkzaamheden worden verricht;
k. asfaltspreid- en asfaltwerkmachines;
l. motorisch aangedreven papiersnijmachines;
m. motorkettingzagen en bosmaaiers;
o. rubbermeng- of rubberkneedwalsen;
p. stempelmachines;
q. vlakbanken;
r. schiethamers;
s. walsenmachines, voor zover gebruikt in de leerindustrie.
2. Een jeugdige mag geen arbeid verrichten aan of met machines of werktuigen, hieronder omschreven, waarvan de werking, ook indien de vereiste beveiliging daarop aanwezig is, bijzonder gevaar oplevert:
a. mechanisch aangedreven afkantbanken, kantbanken en zetbanken;
b. betonmolens met mechanische ophaalbak, machines voor het leidingtransport van species op mortels alsmede de menginstallaties zelve, betonspreid- en betonafwerkmachines;
c. buig- en knipmachines voor betonijzer;
d. cirkelzaagmachines;
e. freesmachines, met uitzondering van de metaalfreesmachines;
f. gecombineerde houtbewerkingsmachines, die een cirkelzaag of frees bevatten;
g. handdoorslijpmachines;
h. kalanders;
i. motorisch aangedreven en voortbewogen grondbewerkingmachines, voor zover deze lopend worden bestuurd of bediend;
j. walsen welke gebruikt worden ten behoeve van grondwerken en wegen, welke in aanleg, verbouwing, herstelling of sloping zijn, of voor zover daaraan onderhoudswerkzaamheden worden verricht;
k. asfaltspreid- en asfaltwerkmachines;
l. motorisch aangedreven papiersnijmachines;
m. motorkettingzagen en bosmaaiers;
o. rubbermeng- of rubberkneedwalsen;
p. stempelmachines;
q. vlakbanken;
r. schiethamers;
s. walsenmachines, voor zover gebruikt in de leerindustrie.
- Citeren als
- Art. 10
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028377
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl