BWBR0028678
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 22
Reglement op de maten, gewichten, meet- en weegwerktuigen BES
1. De gewichten voor het afwegen van deeg in bakkerijen zijn vervaardigd van geelkoper en mogen verchroomd of vernikkeld zijn.
2. Zij hebben tweeërlei vorm en wel:
a. de vorm van een rechte, nagenoeg gelijkzijdige cirkelcilinder, centraal doorboord, in welke boring, die een middellijn heeft van ten minste 1/5 van die van de cilinder, schroefdraad gesneden is, waarin een rechte cilindrische staaf, aan haar vrije einde van een wervel voorzien, niet dieper dan tot even boven het midden van de boring vastgeschroefd is;
b. de vorm van een platte ring, met geringe speling passend om de staaf, genoemd onder a.
3. De vrije ruimte van de boring onder de staaf, bestemd voor de justering, moet bij ijk ten minste tot het midden van de cilinder reiken. De ringvormige gewichten mogen een van schroefdraad voorziene justeeropening hebben in de platte kant, waarop de vermelding van de zwaarte niet voorkomt. De vermelding van de zwaarte is bij de cilindervormige gewichten in het bovenvlak van de cilinder, bij de ringvormige in een der platte kanten gestempeld. Bij de cilindervormige gewichten mag bovendien in het bovenvlak, diametraal tegenover de vermelding van de zwaarte, een beknopte aanduiding van de samenstelling van het deeg, dat met de gewichten afgewogen wordt, ingestempeld zijn. Een weinig in het oog vallend fabrieksmerk is bij de cilindervormige gewichten in het grondvlak, bij de ringvormige gewichten in de platte kant, waarop de vermelding van de zwaarte niet voorkomt, gestempeld.
4. Voor de afwijking van de op het gewicht vernielde zwaarte geldt het bepaalde in lid 4 van artikel 21, met dien verstande, dat voor een gewicht met een nominale zwaarte gelegen tussen twee opeenvolgende der in de tabel van artikel 21, lid 4 genoemde gewichten een afwijking toegestaan is, gelijk aan die voor het grootste der twee.
2. Zij hebben tweeërlei vorm en wel:
a. de vorm van een rechte, nagenoeg gelijkzijdige cirkelcilinder, centraal doorboord, in welke boring, die een middellijn heeft van ten minste 1/5 van die van de cilinder, schroefdraad gesneden is, waarin een rechte cilindrische staaf, aan haar vrije einde van een wervel voorzien, niet dieper dan tot even boven het midden van de boring vastgeschroefd is;
b. de vorm van een platte ring, met geringe speling passend om de staaf, genoemd onder a.
3. De vrije ruimte van de boring onder de staaf, bestemd voor de justering, moet bij ijk ten minste tot het midden van de cilinder reiken. De ringvormige gewichten mogen een van schroefdraad voorziene justeeropening hebben in de platte kant, waarop de vermelding van de zwaarte niet voorkomt. De vermelding van de zwaarte is bij de cilindervormige gewichten in het bovenvlak van de cilinder, bij de ringvormige in een der platte kanten gestempeld. Bij de cilindervormige gewichten mag bovendien in het bovenvlak, diametraal tegenover de vermelding van de zwaarte, een beknopte aanduiding van de samenstelling van het deeg, dat met de gewichten afgewogen wordt, ingestempeld zijn. Een weinig in het oog vallend fabrieksmerk is bij de cilindervormige gewichten in het grondvlak, bij de ringvormige gewichten in de platte kant, waarop de vermelding van de zwaarte niet voorkomt, gestempeld.
4. Voor de afwijking van de op het gewicht vernielde zwaarte geldt het bepaalde in lid 4 van artikel 21, met dien verstande, dat voor een gewicht met een nominale zwaarte gelegen tussen twee opeenvolgende der in de tabel van artikel 21, lid 4 genoemde gewichten een afwijking toegestaan is, gelijk aan die voor het grootste der twee.
- Citeren als
- Art. 22
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028678
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl