BWBR0028678
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 25
Reglement op de maten, gewichten, meet- en weegwerktuigen BES
1. De weegwerktuigen, geen machines zijnde, zijn voorzien van een inrichting die duidelijk het evenwicht in onbelaste en belaste toestand aanwijst. Zij moeten in onbelaste toestand op nul inspelen. Zij zijn bovendien voorzien van een inrichting voor nulpuntcorrectie, die, uitgezonderd bij de gelijkarmige balansen, niet zonder hulpmiddelen met de hand mag kunnen worden versteld. Aan weegwerktuigen, waarvan de wijze van opstelling invloed heeft op de aanwijzing, met uitzondering van gelijkarmige toonbankbascules, is een schietlood of een andere inrichting tot verticaal of horizontaal stellen aangebracht.
2. Loopgewichten moeten zodanig zijn ingericht, dat zonder zegelverbreking hiervan niets kan worden verwijderd, noch hieraan iets kan worden toegevoegd, zonder dat zulks direct in het oog valt.
3. Indien de belasting van een weegwerktuig wordt aangewezen door de zwaarte van gewichtstukken, moet de verhouding tussen de zwaarte van de belasting en die van de gebezigde gewichten 1:1,1:10,1:100, of 1:1000 zijn. De vorm dezer gewichten mag afwijken van die welke voor gewichten is voorgeschreven; in dit geval moet op de gewichtstukken het gewicht aangegeven zijn van de belasting die zij representeren.
4. Behalve de draaipunten moeten de niet-roestvrije delen geverfd zijn of op andere wijze tegen roesten zijn gevrijwaard.
5. Op ieder weegwerktuig moet het weegvermogen zijn aangegeven.
6. Het onderzoek naar de weegeigenschappen strekt zich uit over:
a. de juistheid. Bij de weging van een belasting B mag het verschil tussen het gewicht van B en het gewicht dat het weegwerktuig er voor aanwijst bij ijk niet groter zijn dan hierna is opgegeven. met dien verstande, dat de fout niet kleiner behoeft te zijn dan die toegestaan voor een belasting gelijk aan een vijfde van het weegvermogen; terwijl ze voor weegwerktuigen met wijzerplaat bovendien niet kleiner behoeft te zijn dan de toegestane fout voor een belasting gelijk aan de capaciteit van de wijzerplaat, voorzover deze toegestane fout kleiner is dan het gewicht dat overeenkomt met een half schaaldeel; anders in plaats hiervan een gewicht overeenkomende met een half schaaldeel,
b. de gevoeligheid. Het remediegewicht R, gevoegd bij de belasting, moet het weegwerktuig een goed waarneembare, blijvende uitslag geven.
c. de bestendigheid. Bij meerdere achtereenvolgende wegingen met dezelfde belasting, zoals deze wegingen in de praktijk kunnen voorkomen, mag het grootste verschil tussen de aanwijzingen niet groter zijn dan R. Bij herijk is R twee maal zo groot als is opgegeven onder a.
7. Kabeltrekweegwerktuigen zijn weegwerktuigen voor gewone weging; evenwel behoeft bij deze weegwerktuigen de fout nooit kleiner te zijn dan die toegestaan voor een belasting gelijk aan de helft van het weegvermogen. Als fout wordt hier aangenomen de fout van het gemiddelde van tien achtereenvolgende wegingen van dezelfde belasting. Voor een enkele weging is een twee maal zo grote fout toegestaan.
8. Babyweegschalen en personenweegschalen, uitgerust met schuifgewicht, zijn weegwerktuigen voor gewone weging: evenwel behoeft bij deze weegwerktuigen de fout niet kleiner te zijn dan die toegestaan voor een belasting gelijk aan het halve weegvermogen.
2. Loopgewichten moeten zodanig zijn ingericht, dat zonder zegelverbreking hiervan niets kan worden verwijderd, noch hieraan iets kan worden toegevoegd, zonder dat zulks direct in het oog valt.
3. Indien de belasting van een weegwerktuig wordt aangewezen door de zwaarte van gewichtstukken, moet de verhouding tussen de zwaarte van de belasting en die van de gebezigde gewichten 1:1,1:10,1:100, of 1:1000 zijn. De vorm dezer gewichten mag afwijken van die welke voor gewichten is voorgeschreven; in dit geval moet op de gewichtstukken het gewicht aangegeven zijn van de belasting die zij representeren.
4. Behalve de draaipunten moeten de niet-roestvrije delen geverfd zijn of op andere wijze tegen roesten zijn gevrijwaard.
5. Op ieder weegwerktuig moet het weegvermogen zijn aangegeven.
6. Het onderzoek naar de weegeigenschappen strekt zich uit over:
a. de juistheid. Bij de weging van een belasting B mag het verschil tussen het gewicht van B en het gewicht dat het weegwerktuig er voor aanwijst bij ijk niet groter zijn dan hierna is opgegeven. met dien verstande, dat de fout niet kleiner behoeft te zijn dan die toegestaan voor een belasting gelijk aan een vijfde van het weegvermogen; terwijl ze voor weegwerktuigen met wijzerplaat bovendien niet kleiner behoeft te zijn dan de toegestane fout voor een belasting gelijk aan de capaciteit van de wijzerplaat, voorzover deze toegestane fout kleiner is dan het gewicht dat overeenkomt met een half schaaldeel; anders in plaats hiervan een gewicht overeenkomende met een half schaaldeel,
b. de gevoeligheid. Het remediegewicht R, gevoegd bij de belasting, moet het weegwerktuig een goed waarneembare, blijvende uitslag geven.
c. de bestendigheid. Bij meerdere achtereenvolgende wegingen met dezelfde belasting, zoals deze wegingen in de praktijk kunnen voorkomen, mag het grootste verschil tussen de aanwijzingen niet groter zijn dan R. Bij herijk is R twee maal zo groot als is opgegeven onder a.
7. Kabeltrekweegwerktuigen zijn weegwerktuigen voor gewone weging; evenwel behoeft bij deze weegwerktuigen de fout nooit kleiner te zijn dan die toegestaan voor een belasting gelijk aan de helft van het weegvermogen. Als fout wordt hier aangenomen de fout van het gemiddelde van tien achtereenvolgende wegingen van dezelfde belasting. Voor een enkele weging is een twee maal zo grote fout toegestaan.
8. Babyweegschalen en personenweegschalen, uitgerust met schuifgewicht, zijn weegwerktuigen voor gewone weging: evenwel behoeft bij deze weegwerktuigen de fout niet kleiner te zijn dan die toegestaan voor een belasting gelijk aan het halve weegvermogen.
- Citeren als
- Art. 25
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028678
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl