BWBR0028692
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 6
Reglement op de meters voor elektrische energie BES
a. Spanningscircuits. Het verlies in ieder spanningscircuit van een meter bij zijn nominale spanning(en) en bij nominale frequentie mag de volgende waarden niet te boven gaan: tot 250 V nominale spanning = 2W en 8 VA; boven 250 V tot 300 V nominale spanning = een toename van 0,02 W en 0,08 VA per V boven 250 V; boven 300 V tot 600 V nominale spanning = een toename van 0,01 W en 0,04 VA per V boven 300 V.
b. Stroomcircuits. Het schijnbare vermogen dat door elk stroomcircuit van een meter bestemd voor gebruik met stroomtransformatoren bij basis stroom wordt opgenomen mag de 2,5 VA niet te boven gaan.
Meters en hun toebehoren uitgezonderd meettrans-formatoren, die aan andere specificaties dienen te voldoen, mogen geen van hun diëlectrische hoedanigheden verliezen, wanneer zij aan normale bedrijfsspanningen worden onderworpen. Een meter of accessoire wordt geacht deze voorgaande voorwaarde te vervullen als ze met gunstig gevolg de hierna gespecificeerde diëlectrische beproeving heeft ondergaan.
Bovendien moeten de toegepaste isolatiematerialen zodanig zijn, dat zij hun diëlectrische hoedanigheden niet verliezen onder invloed van de atmosferische vochtigheid. Alle hygroscopische en brandbare materialen die als isolatie gebruikt worden, moeten een behandeling ondergaan hebben om het binnendringen van vocht te voorkomen.
De diëlectrische proef wordt slechts uitgevoerd op volledige meters en niet op losse onderdelen; deze proef wordt slechts eenmaal op een meter gedaan.
De isolatie tussen alle circuits van een meter enerzijds (met inbegrip van alle metalen delen die hiermede in contact staan), uitgezonderd de stroomkringen van hulptoestellen die bij spanningen onder 70 V werken, en het gestel van de meter anderzijds dient een wisselstroom beproevingsspanning van 2.000 V effectieve waarde te houden. De stroomkringen van de hulptoestellen welke bij spanning onder 70 V werken worden bij deze proef met het gestel van de meter verbonden.
Bij de bovenbeschreven proef worden alle uitwendige metalen delen met het gestel van de meter verbonden. Indien de meter een grondplaat uit isolatiemateriaal heeft, wordt de meter bij deze proef op een vlakke metalen plaat gelegd, welke plaat met het gestel van de meter wordt verbonden.
De isolatie tussen twee stroom-circuits welke windingen gemeen hebben op dezelfde ijzerkern en waartussen de gekoppelde netspanning op zal treden wanneer de meter in bedrijf is, dienen een wisselstroom beproevingsspanning van 2.000 V effectieve waarde te houden.
De isolatie tussen elk circuit van de meter, met inbegrip van alle metalen delen die hiermede in contact zijn, en ieder ander circuit dat hiervan gescheiden kan worden, uitgezonderd de stroomkringen van hulptoestellen welke bij spanningen onder 70 V werken, dienen een wisselstroom beproevingsspanning te houden gelijk aan tweemaal de gekoppelde nominale spanning doch minstens 600 V.
Gedurende deze beproeving dienen de stroomkringen van hulptoestellen, welke bij spanningen onder 70 V werken, met het gestel van de meter verbonden te zijn.
De isolatie tussen het gestel van de meter en de hulp-circuits, welke bij spanningen onder 70 V werken, moet een wisselstroom beproevingsspanning van 250 V effectieve waarde houden.
De beproevingsspanning dient zo goed mogelijk sinus-vormig te zijn en de frequentie ervan dient tussen 40 en 60 herz te liggen. De spanning dient geleverd te worden door een spanningsbron met een vermogen van minstens 500 VA en de beproevingsspanning zal voor de tijd van één minuut aangelegd worden.
Wanneer alle stroomkringen van de meter de maximum stroom voeren en tevens alle spanningscircuits en alle continu belastbare hulpspanningscircuits belast worden met 1, 2 maal de nominale spanning, mag de temperatuursverhoging van de windingen van de stroomcircuit (s) van de meter de 50°C niet te boven gaan, bij een omgevingstemperatuur niet hoger dan 40°C. Wanneer windingen van blank koper cq email-draad zijn toegepast, mag deze temperatuursverhoging de 60°C niet te boven gaan.
De temperatuursverhoging wordt bepaald uit de weerstandsverandering van een van de stroomspoelen en wordt gemeten aan de aansluitklemmen.
b. Stroomcircuits. Het schijnbare vermogen dat door elk stroomcircuit van een meter bestemd voor gebruik met stroomtransformatoren bij basis stroom wordt opgenomen mag de 2,5 VA niet te boven gaan.
Meters en hun toebehoren uitgezonderd meettrans-formatoren, die aan andere specificaties dienen te voldoen, mogen geen van hun diëlectrische hoedanigheden verliezen, wanneer zij aan normale bedrijfsspanningen worden onderworpen. Een meter of accessoire wordt geacht deze voorgaande voorwaarde te vervullen als ze met gunstig gevolg de hierna gespecificeerde diëlectrische beproeving heeft ondergaan.
Bovendien moeten de toegepaste isolatiematerialen zodanig zijn, dat zij hun diëlectrische hoedanigheden niet verliezen onder invloed van de atmosferische vochtigheid. Alle hygroscopische en brandbare materialen die als isolatie gebruikt worden, moeten een behandeling ondergaan hebben om het binnendringen van vocht te voorkomen.
De diëlectrische proef wordt slechts uitgevoerd op volledige meters en niet op losse onderdelen; deze proef wordt slechts eenmaal op een meter gedaan.
De isolatie tussen alle circuits van een meter enerzijds (met inbegrip van alle metalen delen die hiermede in contact staan), uitgezonderd de stroomkringen van hulptoestellen die bij spanningen onder 70 V werken, en het gestel van de meter anderzijds dient een wisselstroom beproevingsspanning van 2.000 V effectieve waarde te houden. De stroomkringen van de hulptoestellen welke bij spanning onder 70 V werken worden bij deze proef met het gestel van de meter verbonden.
Bij de bovenbeschreven proef worden alle uitwendige metalen delen met het gestel van de meter verbonden. Indien de meter een grondplaat uit isolatiemateriaal heeft, wordt de meter bij deze proef op een vlakke metalen plaat gelegd, welke plaat met het gestel van de meter wordt verbonden.
De isolatie tussen twee stroom-circuits welke windingen gemeen hebben op dezelfde ijzerkern en waartussen de gekoppelde netspanning op zal treden wanneer de meter in bedrijf is, dienen een wisselstroom beproevingsspanning van 2.000 V effectieve waarde te houden.
De isolatie tussen elk circuit van de meter, met inbegrip van alle metalen delen die hiermede in contact zijn, en ieder ander circuit dat hiervan gescheiden kan worden, uitgezonderd de stroomkringen van hulptoestellen welke bij spanningen onder 70 V werken, dienen een wisselstroom beproevingsspanning te houden gelijk aan tweemaal de gekoppelde nominale spanning doch minstens 600 V.
Gedurende deze beproeving dienen de stroomkringen van hulptoestellen, welke bij spanningen onder 70 V werken, met het gestel van de meter verbonden te zijn.
De isolatie tussen het gestel van de meter en de hulp-circuits, welke bij spanningen onder 70 V werken, moet een wisselstroom beproevingsspanning van 250 V effectieve waarde houden.
De beproevingsspanning dient zo goed mogelijk sinus-vormig te zijn en de frequentie ervan dient tussen 40 en 60 herz te liggen. De spanning dient geleverd te worden door een spanningsbron met een vermogen van minstens 500 VA en de beproevingsspanning zal voor de tijd van één minuut aangelegd worden.
Wanneer alle stroomkringen van de meter de maximum stroom voeren en tevens alle spanningscircuits en alle continu belastbare hulpspanningscircuits belast worden met 1, 2 maal de nominale spanning, mag de temperatuursverhoging van de windingen van de stroomcircuit (s) van de meter de 50°C niet te boven gaan, bij een omgevingstemperatuur niet hoger dan 40°C. Wanneer windingen van blank koper cq email-draad zijn toegepast, mag deze temperatuursverhoging de 60°C niet te boven gaan.
De temperatuursverhoging wordt bepaald uit de weerstandsverandering van een van de stroomspoelen en wordt gemeten aan de aansluitklemmen.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028692
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl