BWBR0031204
Geldig vanaf 01-01-2012
Artikel 6
Hygiënebesluit kuikenbroederijen (PPE) 2011
1. Indien uit de uitslag van de serotypering in de pluimveevleessector blijkt dat in een monster Salmonella is aangetoond, zorgt de ondernemer die een kuikenbroederij in de pluimveevleessector uitoefent ervoor dat dit binnen één werkdag nadat deze uitslag bij hem bekend is, schriftelijk is gemeld aan de voorzitter, aan GD, aan het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters afkomstig zijn en aan het opfokbedrijf of vleeskuikenbedrijf dat het pluimvee afneemt dat uit deze broedeieren is uitgekomen.
2. Indien uit de uitslag van de detectie in de pluimveevleessector blijkt dat geen Salmonella in een monster is aangetoond, zorgt de ondernemer die een kuikenbroederij in de pluimveevleessector uitoefent ervoor dat dit binnen tien werkdagen nadat de uitslag bij hem bekend is, schriftelijk is gemeld aan de voorzitter, aan het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters afkomstig zijn en aan het opfokbedrijf of vleeskuikenbedrijf dat het pluimvee afneemt dat uit deze broedeieren is uitgekomen.
3. Indien uit de uitslag van de serotypering in de legsector blijkt dat in een monster Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow is aangetoond, zorgt de ondernemer die een kuikenbroederij in de legsector uitoefent ervoor dat dit binnen één werkdag nadat deze uitslag bij hem bekend is, schriftelijk is gemeld aan de voorzitter, aan GD, aan het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters afkomstig zijn en aan het opfokbedrijf of opfokleghennenbedrijf dat het pluimvee afneemt dat uit deze broedeieren is uitgekomen.
4. Indien uit de uitslag van de detectie in de legsector blijkt dat geen Salmonella in een monster is aangetoond of indien uit de uitslag van de serotypering in de legsector blijkt dat in een monster een ander serotype Salmonella dan genoemd in het derde lid is aangetoond, zorgt de ondernemer die een kuikenbroederij in de legsector uitoefent ervoor dat dit binnen tien werkdagen nadat de uitslag bij hem bekend is, schriftelijk is gemeld aan de voorzitter, aan het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters afkomstig zijn en aan het opfokbedrijf of opfokleghennenbedrijf dat het pluimvee afneemt dat uit deze broedeieren is uitgekomen.
5. De in het eerste, tweede, derde en vierde lid bedoelde meldingen bevatten de volgende gegevens:
Naam en KIP-nummer van het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters afkomstig zijn;
Activiteit: kuikenbroederij;
Geboortedatum pluimvee;
Nummer van de stal waaruit de broedeieren afkomstig zijn;
Datum monsterneming;
Type monster (meconium, dons, liggenblijvers);
In geval van een negatieve uitslag: de uitslag van de detectie, inclusief de datum van de uitslag;
In geval van een positieve uitslag: de uitslag van de serotypering, inclusief datum van de uitslag.
2. Indien uit de uitslag van de detectie in de pluimveevleessector blijkt dat geen Salmonella in een monster is aangetoond, zorgt de ondernemer die een kuikenbroederij in de pluimveevleessector uitoefent ervoor dat dit binnen tien werkdagen nadat de uitslag bij hem bekend is, schriftelijk is gemeld aan de voorzitter, aan het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters afkomstig zijn en aan het opfokbedrijf of vleeskuikenbedrijf dat het pluimvee afneemt dat uit deze broedeieren is uitgekomen.
3. Indien uit de uitslag van de serotypering in de legsector blijkt dat in een monster Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis of Salmonella Virchow is aangetoond, zorgt de ondernemer die een kuikenbroederij in de legsector uitoefent ervoor dat dit binnen één werkdag nadat deze uitslag bij hem bekend is, schriftelijk is gemeld aan de voorzitter, aan GD, aan het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters afkomstig zijn en aan het opfokbedrijf of opfokleghennenbedrijf dat het pluimvee afneemt dat uit deze broedeieren is uitgekomen.
4. Indien uit de uitslag van de detectie in de legsector blijkt dat geen Salmonella in een monster is aangetoond of indien uit de uitslag van de serotypering in de legsector blijkt dat in een monster een ander serotype Salmonella dan genoemd in het derde lid is aangetoond, zorgt de ondernemer die een kuikenbroederij in de legsector uitoefent ervoor dat dit binnen tien werkdagen nadat de uitslag bij hem bekend is, schriftelijk is gemeld aan de voorzitter, aan het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters afkomstig zijn en aan het opfokbedrijf of opfokleghennenbedrijf dat het pluimvee afneemt dat uit deze broedeieren is uitgekomen.
5. De in het eerste, tweede, derde en vierde lid bedoelde meldingen bevatten de volgende gegevens:
Naam en KIP-nummer van het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf dat de broedeieren heeft geproduceerd waarvan de monsters afkomstig zijn;
Activiteit: kuikenbroederij;
Geboortedatum pluimvee;
Nummer van de stal waaruit de broedeieren afkomstig zijn;
Datum monsterneming;
Type monster (meconium, dons, liggenblijvers);
In geval van een negatieve uitslag: de uitslag van de detectie, inclusief de datum van de uitslag;
In geval van een positieve uitslag: de uitslag van de serotypering, inclusief datum van de uitslag.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0031204
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl