BWBR0031788
Geldig vanaf 2017-01-01
Artikel 81
Politiewet 2012
1. Voor zover bij of krachtens dit hoofdstuk of de Kaderwet zelfstandige bestuursorganenniet anders is bepaald, worden bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 47, eerste lid, voor de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger regels gesteld over de in dat lid bedoelde onderwerpen.
2. Voor zover uit de Kaderwet zelfstandige bestuursorganenniet anders voortvloeit, is artikel 47, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger.
3. De artikelen 44a, 47a, 47b, 47cen de paragrafen 3.5.2, 3.5.3.en 3.5.4.van deze wet alsmede artikel 4 van de Ambtenarenwet 2017zijn van overeenkomstige toepassing op de Politieacademie, met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van artikel 47c en de paragrafen 3.5.2 en 3.5.3 onder bevoegd gezag wordt verstaan: Onze Minister;
b. voor de toepassing van paragraaf 3.5.4 onder bevoegd gezag wordt verstaan: 1°. Onze Minister, voor zover het betreft de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger;
2°. de directeur van Politieacademie, voor zover het betreft personen die krachtens overeenkomst werkzaamheden voor de Politieacademie gaan verrichten of verrichten;
1°. Onze Minister, voor zover het betreft de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger;
2°. de directeur van Politieacademie, voor zover het betreft personen die krachtens overeenkomst werkzaamheden voor de Politieacademie gaan verrichten of verrichten;
c. voor de toepassing van artikel 4 van de Ambtenarenwet 2017 onder overheidswerkgever wordt verstaan: de Staat.
4. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 48, worden regels gesteld omtrent de titulaire rang van de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger.
5. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 22, worden regels gesteld omtrent de kleding van de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger.
2. Voor zover uit de Kaderwet zelfstandige bestuursorganenniet anders voortvloeit, is artikel 47, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger.
3. De artikelen 44a, 47a, 47b, 47cen de paragrafen 3.5.2, 3.5.3.en 3.5.4.van deze wet alsmede artikel 4 van de Ambtenarenwet 2017zijn van overeenkomstige toepassing op de Politieacademie, met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van artikel 47c en de paragrafen 3.5.2 en 3.5.3 onder bevoegd gezag wordt verstaan: Onze Minister;
b. voor de toepassing van paragraaf 3.5.4 onder bevoegd gezag wordt verstaan: 1°. Onze Minister, voor zover het betreft de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger;
2°. de directeur van Politieacademie, voor zover het betreft personen die krachtens overeenkomst werkzaamheden voor de Politieacademie gaan verrichten of verrichten;
1°. Onze Minister, voor zover het betreft de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger;
2°. de directeur van Politieacademie, voor zover het betreft personen die krachtens overeenkomst werkzaamheden voor de Politieacademie gaan verrichten of verrichten;
c. voor de toepassing van artikel 4 van de Ambtenarenwet 2017 onder overheidswerkgever wordt verstaan: de Staat.
4. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 48, worden regels gesteld omtrent de titulaire rang van de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger.
5. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 22, worden regels gesteld omtrent de kleding van de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger.