BWBR0031814
Geldig vanaf 2012-11-01
Artikel 2:23
Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties
1. De krachtens de artikelen 2:19 tot en met 2:22gegeven bevelen tot inverzekeringstelling, bewaring dan wel de opschorting, schorsing of beëindiging van de bewaring worden gedagtekend en ondertekend. De grond voor uitvaardiging wordt in het bevel vermeld. Aan de veroordeelde op wie het bevel betrekking heeft, wordt onverwijld een afschrift daarvan uitgereikt.
2. De bevelen, bedoeld in het eerste lid, zijn dadelijk uitvoerbaar. Bevoegd tot het ten uitvoer leggen van deze bevelen zijn de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvorderinggenoemde ambtenaren. Op de tenuitvoerlegging en de last daartoe zijn de artikelen 6:1:6, 6:1:7, 6:1:9, 6:1:15, 6:2:1en 6:2:5 van het Wetboek van Strafvorderingvan overeenkomstige toepassing.
3. Veroordeelden die overeenkomstig deze wet in verzekering of in bewaring zijn gesteld worden behandeld als verdachten die krachtens het Wetboek van Strafvorderingaan een overeenkomstige maatregel zijn onderworpen.
4. Van elke beslissing, genomen krachtens een van de artikelen 2:19 tot en met 2:22, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan Onze Minister.
2. De bevelen, bedoeld in het eerste lid, zijn dadelijk uitvoerbaar. Bevoegd tot het ten uitvoer leggen van deze bevelen zijn de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvorderinggenoemde ambtenaren. Op de tenuitvoerlegging en de last daartoe zijn de artikelen 6:1:6, 6:1:7, 6:1:9, 6:1:15, 6:2:1en 6:2:5 van het Wetboek van Strafvorderingvan overeenkomstige toepassing.
3. Veroordeelden die overeenkomstig deze wet in verzekering of in bewaring zijn gesteld worden behandeld als verdachten die krachtens het Wetboek van Strafvorderingaan een overeenkomstige maatregel zijn onderworpen.
4. Van elke beslissing, genomen krachtens een van de artikelen 2:19 tot en met 2:22, geeft de officier van justitie onverwijld kennis aan Onze Minister.